Votar en victòria – dat willen de Catalanen

Vandaag gaan honderdduizenden Catalanen weer de straat op om aandacht te vragen voor hun onafhankelijkheid. Na een jaar studeren in Barcelona weet Carlijn Teeven dat zij niet zomaar kan zeggen dat ze in Spanje woont.

‘Als jij in ons land komt wonen, dan zorg je ook maar dat je onze taal beheerst.” Het was eind september vorig jaar en ik was net begonnen aan een master Geschiedenis in Barcelona. Toen de professor zijn college in het Catalaans was begonnen, had ik hem vriendelijk gevraagd om over te gaan op het Spaans – al lastig genoeg. Maar dat verzoek viel niet helemaal in goede aarde.

Dat de Catalanen een trots volk zouden zijn, daar had ik me wel op ingesteld. Een vriendin uit Andalusië had me nog gewaarschuwd: het zou een stel arrogante figuren zijn, daar in het noordoosten van Spanje. En eerlijk gezegd was mijn eigen perceptie van de naar zelfstandigheid strevende Catalanen ook niet per se positief. Je als ‘provincie’ willen afscheiden van een land, dat is toch idioot?

Op 11 september vorig jaar maakte ik voor het eerst La Diada Nacional de Catalunya mee, de nationale feestdag van Catalonië. Ik zag baby’tjes van slechts een paar weken oud gewikkeld in de Catalaanse onafhankelijkheidsvlag, en kinderen van een jaar of acht die met stokken in grote letters ‘onafhankelijkheid’ in het zand schreven. Protesterende Catalanen vormden een menselijke ketting van 400 kilometer, die van noord naar zuid door de regio slingerde.

Vieringen en demonstraties

Vandaag is het weer feest. En waarschijnlijk wordt La Diada dit jaar nog grootser gevierd dan in 2013. Het is namelijk precies 300 jaar na de ‘val’ van Barcelona, waarbij Catalonië zijn zelfstandigheid verloor en definitief onderdeel werd van het Spaanse koninkrijk.

De jaarlijkse rouwdiensten voor de slachtoffers groeiden in de loop der jaren uit tot vieringen en demonstraties. Honderdduizenden Catalanen zullen vanmiddag weer de straat op gaan om aandacht de vragen voor de onafhankelijkheidskwestie. Zo zal in Barcelona een gigantische V (van victòria: ‘overwinning’ en van votar: ‘stemmen’) worden gevormd.

Deze keer zal ik de feestdag anders ervaren dan vorig jaar. In de afgelopen twaalf maanden leerde ik veel jonge Catalanen kennen, die hun ideeën en gedachten over ‘de kwestie’ met me wilden delen. En hoewel ik het zeker niet altijd met ze eens ben, en ze op bepaalde vlakken waarschijnlijk ook nooit zal kunnen begrijpen, kan ik wel zeggen dat mijn vooroordelen wat kort door de bocht waren.

Voorheen kende ik de Catalaan alleen uit verhalen van Spaanse vrienden en kennissen, of van de berichten in de media, die vaak eenzelfde strekking hadden: veel Catalanen willen zich afscheiden van Spanje omdat ze te veel belasting moeten betalen, maar die onafhankelijkheid zullen ze nooit bereiken.

En natuurlijk kende ik de Catalaan van zijn vlag, de rood-geel gestreepte vlag met blauwe driehoek en daarin een witte ster: de estelada. Hij is strak vastgenageld aan balkons, wappert fier boven op overheidsgebouwen en staat afgebeeld op de strandlakens, shotglaasjes en koelkastmagneten in de vele souvenirwinkeltjes op de Ramblas.

Ook mijn studiegenoten bleken dol te zijn op de estelada. Hij wordt ingezet als laptopsticker en verschijnt in agenda’s en als profielfoto op Facebook, in sommige gevallen begeleid door de tekst vull ser lliure: ‘ik wil vrij zijn’. Een klasgenoot draagt zelfs schoenen met een afbeelding van de vlag.

Sinds begin dit jaar zijn er diverse nieuwe vlaggen in omloop, met teksten als ‘Stemmen is normaal’ en ‘Catalanen willen stemmen’. Eind 2013 werd een referendum aangekondigd, waarbij alle Catalanen – dat zijn er 7,5 miljoen – twee vragen zouden mogen beantwoorden: ‘Wilt u dat Catalonië een staat wordt?’ en: ‘Zo ja, wilt u dat die staat een onafhankelijke staat wordt?’ De volksraadpleging staat gepland voor 9 november aanstaande.

Maar de regering van premier Mariano Rajoy in Madrid heeft aangegeven dat het referendum geen doorgang zal vinden, omdat het in strijd is met de Spaanse grondwet, die sinds 1978 voorziet in een ‘constitutionele monarchie voor een ondeelbaar Spanje’. Ook EU-voorzitter Herman van Rompuy liet van zich horen: een onafhankelijk Catalonië zou officieel niet meer tot de Europese Unie behoren. Desondanks lijkt de Catalaanse regiopresident Artur Mas het plan toch door te willen zetten. Overigens blijkt uit peilingen dat de meeste Catalanen wél hun stem willen uitbrengen, maar dat het onwaarschijnlijk is dat meer dan de helft voor een onafhankelijke staat zal stemmen.

Toen het Catalaanse parlement op 12 december vorig jaar zijn goedkeuring gaf aan het referendum, leken de stilteregels in de universiteitsbibliotheek even niet meer te gelden. Studenten gaven elkaar high fives en belden meteen met familie en vrienden om het goede nieuws te delen.

Het gaat vooral om de cultuur

Veel Catalanen hebben het gevoel dat zij moeten opdraaien voor de economische misère in overige, minder welvarende regio’s van het land (met name in het zuiden). Voor die ‘luie’ Spanjaarden, die niets anders doen dan siesta en fiesta houden. Dat gevoel lijkt sterker geworden sinds de crisis in 2008 in Spanje toesloeg.

Maar met een grote zak geld voor Catalonië zou de wens voor een onafhankelijke staat zeker niet van de baan zijn. Erkenning van de Catalaanse cultuur is voor veel Catalanen veel belangrijker. De ouders van deze generatie twintigers en dertigers zijn opgegroeid in een totaal ander Catalonië. Tussen 1939 en 1975, toen dictator Franco over Spanje regeerde, moest alles vooral heel Spaans zijn. Zo was het gebruik van de Catalaanse taal op scholen, in boeken, kranten en op radio en televisie verboden. Zelfs thuis Catalaans spreken was niet toegestaan.

In 1979, met de invoering van de eerste grondwet ná het Franco-tijdperk, werd Catalonië een autonome regio binnen Spanje (en dus géén provincie). Zo’n autonome regio heeft een eigen regering en parlement, met wetgevende en uitvoerende macht. De jongeren van nu behoren tot een van de eerste generaties die volledig Catalaans zijn opgegroeid. Tegelijkertijd zijn ze zich door hun ouders maar al te goed bewust van de recente Spaanse geschiedenis. Met het ‘terugkrijgen’ van hun taal en cultuur in 1979, kregen ze in zekere zin ook hun trots terug. Maar voor sommigen is dat nog lang niet voldoende.

Als we geen Nederlands mogen spreken

De economische crisis en de dictatuur van Franco hebben zeker een rol gespeeld bij het opnieuw aanwakkeren van het nationalistische gevoel. Maar de herdenking van vandaag maakt duidelijk dat het al veel langer speelt.

Een studiegenoot maakte de vergelijking met de Duitse bezetting van Nederland. Wat als de Duitsers nooit waren teruggedrongen, en Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog onderdeel van Duitsland was? Wat als wij jarenlang geen Nederlands meer hadden mogen spreken en geen Koninginnedag mochten vieren? Dan hadden wij ons ook verzet, zo voorspelde hij.

Misschien heeft hij gelijk. Misschien zou het accepteren van de geschiedenis voelen als verraad van je voorouders. Als ik daar een dictator, een economische crisis en weinig begrip vanuit de regering in het ‘buurland’ bij optel, zou ik misschien ook een Nederlandse vlag aan mijn balkon hangen.

Diezelfde jongen vertelde me dat wanneer hij buiten Catalonië is, hij verzwijgt dat hij uit Barcelona komt. „Want zíj hebben een hekel aan ons, niet andersom”, zegt hij. Dat laatste klinkt sympathiek, maar geldt zeker niet voor iedereen. Zo wordt het woord madrileño (inwoner van Madrid) door veel Catalanen gebruikt als scheldwoord, en betekent dan zoveel als ‘verrader’ of ‘een corrupt persoon’.

Duidelijk is dat de Catalaan zichzelf simpelweg niet als Spanjaard ziet. Spanje is over het algemeen het (vervelende) buurland van Catalonië. Waar ik een jaar geleden nog vrolijk zei in Spanje te wonen, kijk ik daar tegenwoordig wel mee uit. Door Catalonië te gebruiken, en de inwoners Catalanen te noemen, bewaar ik de vrede. En als ik zin heb in ruzie, hang ik gewoon de Spaanse vlag uit het raam.