Utrechts koetshuis nu garagemonument

Dit weekend is het Open Monumentendag. Vierduizend monumenten zullen hun deuren openen voor zo’n 900.000 bezoekers. Daaronder een oude garage en een oranjerie.

Boven: Voormalig koetshuis in de binnenstad van Utrecht dat in 1917 is verbouwd tot garage van de ‘Utrechtse Taxameter en Automobiel Maatschappij’, voor de stalling en reparatie van huurauto’s. In de garage werden in 2005 opnamen gemaakt voor de speelfilmZwartboek. De garage werd voor de gelegenheid het rouwcentrum Silentium. Foto’s Rien Zilvold

Bert Poortman (57) maakt deel uit van de Werkgroep Directe Voorzieningen van de gemeente Utrecht. Achter die mysterieuze naam gaat een groep amateurhistorici schuil die zich inzet voor herstel van historische elementen in het straatbeeld van de stad. Poortman heeft er twee jaar geleden bijvoorbeeld voor gezorgd dat op de gevel van Ridderschapsstraat 6 bis een muurschildering is aangebracht met de naam van de Utrechtse Taxameter en Automobiel Maatschappij, een bedrijf dat zich vanaf 1917 op dat adres bezighield met de verhuur van automobielen met een taxameter.

Het bedrijf is allang ter ziele, maar de garage van U.T.A.M. is nog intact. Dertig buurtbewoners kunnen in de sfeervolle hal tegen betaling hun auto stallen. Een begeerlijke, veertig jaar oude Citroën SM staat er tussen modale gezinsauto’s geparkeerd.

Komend weekeinde is de garage een van de vierduizend monumenten die tijdens de Open Monumentendag voor het publiek worden opengesteld. Bert Poortman, die naast de garage woont, zal die dagen rondleidingen geven. Hij schreef net een geschiedschrijving over de garages in dit deel van Utrecht. Die van U.T.A.M. is de laatste, in originele staat verkerende garage in de binnenstad van Utrecht.

Eerst was het een koetshuis, zegt Poortman. Maar daar was na de eeuwwisseling steeds minder behoefte aan. De bewoners van de chique panden aan de nabijgelegen Plompetorengracht ruilden hun rijtuigen in voor een huurauto met chauffeur. Poortman: „Met twintig auto’s was U.T.A.M. in de jaren twintig de grootste verhuurder van de stad. De auto’s waren uitgerust met taxameters, een Duitse vinding om de gereden tijd en afstand bij te houden. Aan die meters hebben we het woord taxi te danken.”

Poortman is blij dat het pand als gemeentelijk monument is aangewezen. „In binnensteden waren vroeger veel meer garages. Tot 1960 was een auto een veel te kostbaar bezit om op straat te parkeren. Deze garage vertegenwoordigt daarom een tijdsbeeld.”

Helaas, zegt Poortman, zie je van de vroegere bedrijvigheid in steden weinig meer terug. „Fabrieken, werkplaatsen, loodsen, magazijnen en garages, we hebben ze rigoureus uit het stadsbeeld gepoetst. Jammer, want juist de variatie aan bebouwing maakt een stad zo mooi.”

Oranjerie

Ineke Verbeek (83) woont in een uit 1780 daterend rijksmonument in Voorburg. Alleen aan de vier meter hoge plafonds en de vele grote ramen is met enige fantasie te zien dat haar huis vroeger een oranjerie was. De eigenaar van buitenplaats Rusthof beschermde in dit pand zijn sinaasappelbomen en andere exotische gewassen tegen de Hollandse kou.

Toen Verbeek het pand 35 jaar geleden in verwaarloosde toestand kocht, had ze geen idee van de rijke geschiedenis. Inmiddels zou ze over haar huis een boek kunnen schrijven. Komend weekend, tijdens de Open Monumentendag, geeft Verbeek vier keer per dag op gezette tijdstippen rondleidingen. De eigenaresse met een lach: „Voor de restauratie van het pand hebben mijn man en ik zoveel subsidie gehad. Die rondleidingen zie ik als een tegemoetkoming aan de overheid.”

Bij eerdere Open Monumentendagen kreeg ze veel oranjegezinde toeristen op bezoek. Prinses Marianne, dochter van koning Willem I, was in de tweede helft van de negentiende eeuw lange tijd eigenaar van de buitenplaats waar de oranjerie deel van uitmaakte. Verbeek: „Marianne woonde op Rusthof met haar lakei en bibliothecaris, de vader van haar zoon Johannes Willem. Dat ze hier openlijk met haar buitenechtelijke kind woonde, maakte haar tot het zwarte schaap van de familie. Maar hoeveel Oranjes hadden geen buitenechtelijke kinderen?”