Santander-baas was meer patriarch dan topman

Emilio Botín (1934-2014)

Topman Botín was de man die de Spaanse bank Santander groot maakte.

Voor Emilio Botín begon elke werkdag om half zeven – uitermate vroeg voor Spaanse begrippen. Gekleed in het rood van ‘zijn’ bank Santander maakte de bestuursvoorzitter dan een wandeling om zijn volgende besluiten te overdenken. Besluiten die hij op Spaanse wijze nam: op eigen houtje en zonder veel tegenspraak te dulden. Als hij besloot om de werkweek al op zondagmiddag te beginnen, moest ook de rest van het bestuur komen opdraven.

Veel meer dan topman was de gisteren op 79-jarige leeftijd overleden Botín een patriarch. Ook al groeide Santander onder leiding van een relatief kleine familiebank uit tot de grootste bank van de eurozone, hij bleef de financiële groep runnen als familiebedrijf. Twee van zijn zes kinderen bekleden hoge posten. Zijn oudste dochter Ana, die nu nog de Britse tak leidt, zal hem opvolgen. Dit terwijl de Botíns, op papier, nog maar 2 procent van de bank bezitten. Al bestaat het vermoeden dat dit aandeel in werkelijkheid iets hoger ligt.

Emilio Botín begon in 1958 als twintiger te werken bij de bank uit Santander, een stad in de Noord-Spaanse regio Cantabrië. Zijn grootvader Emilio had de bank in 1909 in opgericht en het bedrijf is daarna door diens zoon Emilio II verder uitgebouwd. De echte groei kwam echter pas onder Emilio III. Eind jaren zeventig hielp hij Santander door een grote Spaanse bankencrisis loodsen. Toen hij in 1985 topman werd, ging hij agressief op overnamepad.

De hardwerkende en compromisloze Botín zag daarbij kansen die anderen minder snel opvallen. Hij kocht eerst veel concurrenten in Spanje (Banesto en BCH), later ook in de rest van Europa (Abbey National, Antonveneta en, samen met Fortis en Royal Bank of Scotland, ABN Amro – waaraan Santander zich in tegenstelling tot het Belgisch-Nederlandse Fortis niet vertilde). Vanaf begin jaren negentig breidde hij fors uit naar Latijns-Amerika op een moment dat Noord-Amerikaanse banken die regio nog te risicovol vonden. Botíns visie was om van zijn bank en Spanje een bruggenhoofd te maken tussen het Verre Oosten en Zuid-Amerika.

Juist gegokt

Botín liet zich er op voorstaan dat bankieren niet ingewikkeld was: „Geld ontvangen, weer uitlenen en op je tellen passen.” Santander doorstond de internationale kredietcrisis in ieder geval relatief goed. Anders dan veel Europese concurrenten stond de bank slechts bepert bloot aan giftige financiële producten uit de Verenigde Staten. De bank leed wel sterk onder het uiteenspatten van de vastgoedzeepbel in Spanje zelf. Maar doordat de thuismarkt op dat moment al veel minder belangrijk was, overleefde de groep die klap met gemak.

Als bankier onderhield hij ook zorgvuldig contacten met politici. Het verbaasde menigeen dat hij zich in 2004 op campagnebijeenkomsten van de socialistische lijsttrekker Zapatero liet zien. Botín bleek echter weer eens juist te hebben gegokt: tegen alle verwachtingen in werd Zapatero premier. Hun goede band leidde er in 2011 toe dat Zapatero een omstreden gratie verleende aan een veroordeelde Santander-topbankier.