Planbureau waarschuwt voor te veel nieuwbouw

De politiek heeft te weinig aandacht voor periode na 2020.

Nederland moet terughoudend zijn met de bouw van grote wijken. Het is beter bestaande woningen en leegstaande kantoren en winkels te verbouwen. Dat stelt het Planbureau voor de Leefomgeving in een tweejaarlijkse studie die gisteren is aangeboden aan staatssecretaris Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu, VVD).

Directeur Maarten Hajer van het planbureau roept het kabinet op, „voorzichtig” te zijn met bouwen, aangezien over enkele decennia jaarlijks vele tienduizenden bestaande, ruime woningen beschikbaar komen door het overlijden van de generatie van babyboomers. Het aantal jonge huishoudens neemt over een jaar of tien ook nog eens af. Die huishoudens zijn bovendien kleiner, en het aantal alleenstaanden en stellen blijft groeien. „Dus we moeten geen domme dingen doen”, zegt Hajer. „Aanpassen van bestaande woningen is belangrijker dan nieuwbouw.”

Peter Boelhouwer, hoogleraar woningmarkt aan de TU Delft, vindt de oproep van het planbureau tot terughoudendheid met nieuwbouw „een beetje kort door de bocht”. Boelhouwer: „Het planbureau kijkt naar de lange termijn en inderdaad zal de bevolking vanaf 2040 stabiliseren. Maar wie weet precies wat dan de behoefte is? Misschien zijn er dan wel veel meer woningen nodig voor bijvoorbeeld migranten.” Bovendien is er de komende twintig jaar nog altijd een groot tekort aan woningen, vooral in de Randstad. Boelhouwer: „De productie van nieuwbouw ligt nu veel lager dan de behoefte.” Ook zullen de komende jaren veel oude woningen vanwege hun slechte kwaliteit moeten worden vervangen door nieuwbouw, verwacht Boelhouwer.

Volgens de studie, Balans voor de Leefomgeving, is het in Nederland over het algemeen goed toeven. De milieuvervuiling is gedaald; de woonomgeving is verbeterd; het fileleed is verminderd; het voedselaanbod is rijker dan ooit; en zelfs met de natuur gaat het beter, het aantal bedreigde plant- en diersoorten neemt iets af.

Wel maken de onderzoekers zich zorgen over de toekomst. Zo verloopt de overgang van fossiele naar hernieuwbare energie uit zon en wind „zorgelijk traag”. Daardoor blijft Nederland afhankelijk van instabiele regimes en komt van de reductie van de uitstoot van broeikasgassen in Europa weinig terecht. „Het huidige Nederlandse energiesysteem is nog grotendeels gebaseerd op kolen, olie en gas.” Bij de politiek ziet het planbureau onvoldoende aandacht voor de periode na 2020. „De toekomst is nú.” De onderzoekers signaleren bij de politiek een neiging „op de rem te gaan staan” als maatregelen voor „transitie” naar een andere samenleving „pijn” doen.