Op tournee met de banjo op de fiets

Op zijn nieuwe album ‘Gloria’ bezingt Broeder Dieleman het gure polderland van Zeeuws-Vlaanderen.

Tonnie Dieleman (rechts) en Sven van Rijswijk op weg naar een optreden. Foto Mechteld Jansen

Alle veugels van de zee, vliegen langzaam met je mee. Een witte reiger, een pelikaan, de Schelde wordt nu de Jordaan.

Uit: Zilverspa

Vlissingen, zondag, 10.41 u.

„Kiek noe”, roept Tonnie Dieleman (38) als hij langs de haven van Vlissingen fietst. Zijn leren jezusslippers stampen op de pedalen, de banjo op zijn rug stuitert op en neer. Vanaf de kade wijst hij naar het beloofde land aan de overkant van de Westerschelde: Zeeuws-Vlaanderen. „Door die mist op het water zie je het bijna niet liggen. Het is net Avalon.” En dan grijnzend van oor tot oor. „Das te hek, ee!”

Welkom in het biotoop van Broeder Dieleman, waarin het landschap vanzelf verandert in muziek, en andersom. Hij is deze zondagochtend in zijn huidige woonplaats Middelburg op de fiets gesprongen, samen met boezemvriend/manager/collega-singer-songwriter/‘maar-ook-Achterhoeker’ Sven van Rijswijk. Bestemming: het dorpje Groede, waar ze beiden huiskameroptredens zullen geven.

Voor Dieleman wordt het de eerste keer dat hij de melancholische folk van zijn nieuwe album Gloria live gaat spelen. Net als op zijn debuut Alles is ijdelheid giert de kille polderwind door het banjogetokkel en de Zeeuws-Vlaamse teksten.

Maar opschieten nu, want de veerboot wacht op niemand. Zodra hij door de toegangspoortjes fietst, citeert Dieleman zingend de Zeeuws-Vlaamse blueslegende Ries de Vuyst, die het gevoel van overgeleverd zijn aan de dienstregeling perfect verwoordde – zeker toen de Westerscheldetunnel nog niet bestond: „Je gaat die bwoot nog missen daddet zjere doet.”

Zodra de Willem-Alexander is uitgevaren, tuurt Dieleman vanaf het dek tevreden over de blinkende zee. Weer die grijns: „The Mississippi delta was shining like a national guitar.

Aalscholvers duuken deu ’t water, halen vissen omhoog. Zitt’n daarna an de kant, bidden udder vleugels droog. Das bidden zonder dienk’n, mee een enkel gebaar. Nuttig zonder praten, dudelijk en waar.

Uit: Aalscholvers

Breskens, 11.50 u.

Bij een vervallen dok racet Dieleman de dijk op. En ja hoor, op een van de roestige buizen wappert een aalscholver zijn verenkleed droog. „Kiek dan! Da’s precies mijn liedje!” Zo gaat het voortdurend. Ook de zilverreiger uit Zilverspa zal straks geschrokken uit een weiland opvliegen.

Land van verandering gaat over hoe de economie steeds meer op toeristen leunt. Kijk maar naar beneden en tel de campings. De landbouw lijkt verdwenen, veel boeren zijn uitgekocht. Op hun oude akkers worden nu ‘natuurgebieden’ aangelegd. Tring! Twee bejaarde vakantiegangers willen passeren. Op hun elektrische fietsen vliegen ze voorbij. „Hier stond vroeger een ingestorte boerderij”, zegt Dieleman ter hoogte van de Slikkeburgseweg. „De boer woonde in zijn schuur, in een caravan. Als er onbekenden op het erf kwamen, joeg hij ze weg met zijn geweer.”

De verhalen liggen kortom voor het oprapen. „Ik hou van muzikanten die dicht bij zichzelf blijven. Ik doe dit omdat het nog niet bestond. We gaan in Nederland slecht om met ons erfgoed. Waarom zou je alleen maar Amerikanen kopiëren?” Hij speurt liever naar traditionele liederen of zwerft met een gitaar en een cassetterecorder door de polder om veldopnames te maken. „Het maakt niet uit waar je zit, altijd hoor je het geruis van populieren.”

Het komt uut genade en niet omdat ik et verdien. Ik heb nog nooit het licht gezien.

Uit: Adriana

Groede, Slijkstraat, 13.03 u.

De banjo hangt al om zijn nek, maar Broeder Dieleman begint a capella. Voor het eerst in honderd jaar schalt Het Meilied weer door de Groese straten. „Dat is een streektraditional die voor de Eerste Wereldoorlog werd gezongen door arbeiders die langs de huizen gingen om eieren en ’n weinig geld op te halen”, legt hij achteraf uit. En dan lachend: „Het volgende nummer is trouwens ook een traditional, maar dan van mezelf.” Maar eerst nog een waarschuwing: „Ik hoor soms dat ik nostalgische muziek maak, maar daar ben ik het niet mee eens. Door het dialect kan dat zo overkomen. Maar het ligt niet aan mij. Dat zit in het hoofd van de luisteraar.”

Omdat de galerie waar hij eigenlijk moest spelen leeg bleef, is hij maar op straat gaan staan. En met succes. Want gaandeweg groeit het aantal toeschouwers tot een man of veertig. Dat verdubbelt als een peloton Belgische wielrenners door het smalle straatje aan komt denderen. Dieleman brult „cd’s te koop!” tegen de coureurs. Die lachen. En rijden door.

Het is een goede generale repetitie voor volgende week, zegt de zanger als later op de middag ook het tweede optreden gesmeerd is verlopen. Maandag start namelijk een tournee langs kleine kerkjes van Middelburg tot Winsum als voorprogramma van de Amerikaanse singer-songwriter en cultheld Will Oldham, beter bekend als Bonnie ‘Prince’ Billy. Dieleman – behalve fan ook programmeur van het Middelburgse poppodium De Spot – boekte de optredens zelf. Alles is volkomen akoestisch. „Er zijn geen versterkers of microfoons. De enige stroom zit in het lampje dat boven ons hangt. Ik had gelezen dat Bonnie ‘Prince’ Billy graag zo speelt en dacht: ik vraag hem gewoon. Tot mijn eigen verbazing stemde hij toe.”

Ondanks de verschillen in geboortegrond (Louisville – Axel) hebben de twee onheilsprofeten opvallend veel overeenkomsten. Waar Oldham samen met Johnny Cash zijn grootste hit I See a Darkness zong, heeft Dieleman het in Adriana over de „buutenste duusternis”. Beiden vinden de intensiteit belangrijker dan technische perfectie. En allebei hebben ze een fascinatie voor donkere onderwerpen. In Dielemans geval is dat autobiografisch. Net als de doodgravers in Sneeuw en Zilverspa heeft hij vroeger ook graven gedolven. „Altijd 1 meter 20 diep.”

De donderpreken van gereformeerde predikanten, die hij als samples gebruikt, moest hij ooit zelf aanhoren. Hij kon niet tegen de beklemming en heeft zich uitgeschreven bij de kerk die hem zoveel „streken leverde”. Dat hij de bijbelse taal in zijn teksten gebruikt, voelt alsof hij het heeft „teruggepakt”. „Ik mag er nu mee doen wat ik wil.” Maar of hij nog in God gelooft? „Daarop zou ik ja en nee kunnen antwoorden – en het zou allebei even waar zijn.”

Adem rustig in en uut. Wa z’ oek zeggen, ’t maak nie uut. Bevoorbeeld da je nie ziengen kan. Zingt ’r alleen mae arder van. En fuck de haters.

Uit: Voor Janna en Lieve

Groede, Markt, 19.35.

Hij heeft niets te klagen, zegt Dieleman als hij zijn coq à la bière afkluift. Behalve in grote zalen als Paradiso stond hij op festivals als Motel Mozaïque, Le Guess Who? en Into The Great Wide Open. Hoogtepunt: in een uitverkocht 013 deed hij het voorprogramma van Kris Kristofferson, een van de oppergoden van de Amerikaanse country. In de coulissen stond de grootmeester gewoon toe te kijken. „Na ieder nummer floot hij op zijn vingers! Na afloop zei hij: ‘Delicate picking, brother.’ ”

Hij denkt nog wel eens terug aan het tweeregelige bericht dat hij van Omroep Zeeland kreeg nadat hij zijn debuutplaat had opgestuurd. „Mijn ziel en zaligheid lagen erin. Ik had er jarenlang op lopen zwoegen. En toen schreven ze me dat ze me niet konden verstaan en daarom niet wilden draaien.”

Mij zal niks ontbreken. Ik ga zingend deu de nacht.

Uit: Adriana

Westerschelde, 21.43 u.

Als enigen zitten Dieleman en Van Rijswijk op het achterdek van de veerboot, in het volle maanlicht. De gitaar en banjo gaan uit de tassen, en even later waait hun tweestemmige zang over de golven. De gage voor de optredens – drie in cellofaan verpakte bierflesjes – moet eraan geloven. Met zijn aansteker plopt Dieleman een pint open. „Die maan over ’t water. Moe je noe toch kiek’n!”