Een staatkundige comedy of errors

Voor de broer van Arthur Gotlieb, Marcel, moet het Kamerdebat over de NZa-affaire een bitter schouwspel geweest zijn. Hij hield zich groot met de verklaring dat de dood van zijn broer nu toch iets positiefs teweegbrengt, en die troost is hem natuurlijk gegund, maar vermoedelijk had hij toch graag een echte verantwoordelijke gezien die echte verantwoordelijkheid nam, in plaats van handenwringende omstanders die het ook niet gedaan hadden, maar nu gaan zorgen dat zoiets nooit meer gebeurt.

Het kost steeds minder moeite om in de live-beelden van een Kamerdebat de archiefbeelden van over een paar jaar te zien. ‘Laten we nog even kijken naar dat debat van 9 september 2014, toen dat noodlottige besluit genomen werd.’ Gevolgd door een interview met de gedupeerde van straks.

Niet dat de media (met uitzondering van NRC Handelsblad en Nieuwsuur), veel moeite doen om de grondleggers van dit debacle nog eens op te zoeken. Frank de Grave, de eerste directeur, liet vanachter zijn huidige bureau weten dat hij altijd beducht was voor ‘ingewikkelde beelden’. Belangenverstrengeling is niet laakbaar als praktijk, maar als informatie. Kortom: don’t get caught.

Rond de oprichting van de NZa en de NMa was er grote onenigheid over hun bevoegdheden (die zouden dan ook nooit scherp worden omschreven, waarschijnlijk de voornaamste reden voor dit schandaal) en het bedenken van een taakopvatting werd overgelaten aan de vers benoemde directeuren, niet-medicus Frank de Grave en niet-econoom Pieter Kalbfleisch. Op een congres vertelde De Grave dat hij de NZa niet zag als autoriteit, maar als coach. Eigenlijk had de NZa dus NZc moeten heten. De pharmacaptains en zorgverzekeraars knikten opgelucht.

En nu mag Den Haag zeggen hoe het dan wel moet.

Wij bevinden ons in een ongemakkelijke overgangsfase: de herinnering aan de oude politiek – de politiek als oplosser van problemen – zit ons nog een beetje in de weg bij het volledig omarmen van de nieuwe – de politiek als uitvinder van problemen. Wij kunnen deze gewenning bespoedigen door de omloopsnelheid van politici en politieke projecten nog verder te verhogen. Daarom is het goed dat Frans Timmermans nu uitvliegt naar Brussel. Dat zouden meer ministers moeten doen. Vier jaar is te lang. De gemiddelde zittingsduur van Kamerleden is de laatste jaren al enorm afgenomen, maar kan nog verder omlaag. Wissel ze om het jaar.

Wij moeten toe naar een situatie waarin een debat tussen ministers en Kamerleden ongeveer zo verloopt:

‘Yo, Dude, wot de fok? Ik kom net binnen!’

‘Gast, wat de neuk wot de fok? Ik toch ook?’

‘NZa, NZa, zijn dat die pilletjes?’

‘Yo gast, alsof ík dat weet!’

De politiek moet nu definitief doorevalueren tot zijn nieuwe karakter: een staatkundige comedy of errors. Een realityfarce, mengvorm van de moderne soap en een toneelstuk van Feydeau. De Tweede Kamer wordt verbouwd tot een toneel met veel deuren, waardoor voortdurend nieuwe personages verschijnen en verdwijnen.

‘O jee, de minister! Snel, in de kast!’

‘Mevrouw de voorzitter, waar is de geachte afgevaardigde?’

‘Geen idee! Niemand gezien!’

‘Minister! Kunt u ons uitleggen… hu, wie bent u?’

‘Ik ben de nieuwe minister! De oude werd weggeroepen. Maar wie bent ú?’

‘Gast, wat de neuk?!’

Met excuus aan de familie Gotlieb voor de luimige toon, want in het geval van de NZa moeten wij helaas spreken van een tragikomedie.