Afgewezen, dan geen bad, bed, brood

GroenLinks ondergraaft het asielbeleid door honderd uitgeprocedeerden in Amsterdam valse hoop te bieden, meent Dilan Yesilgoz.

Illustratie Hajo

Mijn moeder vluchtte dertig jaar geleden met twee kinderen van 3 en 7 en een plastic tas uit haar geboorteland. Zij moest vluchten omdat haar leven in gevaar was door jarenlange strijd voor gelijke rechten voor religieuze, etnische en seksuele minderheden. Groepen waar zijzelf niet toebehoorde.

Eenmaal in Nederland kreeg ons gezin al snel een vluchtelingenstatus. Ons huis werd ingericht door de kerk en dankzij de vele vrijwilligers leerden we snel Nederlands. Drie decennia later is het meisje van 7 uitgegroeid tot een zelfverzekerde vrouw die in vrijheid haar leven kan inrichten. Ik durf er niet aan te denken hoe onze levens eruit hadden gezien als wij in Nederland geen asiel hadden gekregen.

De kern van ons asielbeleid is vluchtelingenbescherming, zoals beschreven in het Vluchtelingenverdrag van Genève uit 1951. De criteria om in aanmerking te komen voor een vluchtelingenstatus richten zich op mensen die hun woongebied moeten ontvluchten uit gefundeerde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, lidmaatschap van een sociale groep of het aanhangen van een bepaalde overtuiging.

Asielbeleid is daarmee beleid van insluiting (wie kan hier blijven), maar tegelijkertijd ook beleid van uitsluiting (voor wie is elders een toekomst). Dit heeft op de eerste plaats niet te maken met de beschikbaarheid van middelen, mogelijkheden of politieke wensen, maar met de status van vluchteling. Niet iedereen die asiel aanvraagt is een vluchteling. Dit betekent dat er altijd een groep zal zijn wiens verhaal, hoe schrijnend ook, niet in aanmerking zal komen voor asiel.

Sinds twee jaar zwerft een groep van ruim honderd uitgeprocedeerde asielzoekers door Amsterdam. Voor verreweg het grootste deel van deze groep is er geen mogelijkheid tot verblijf in Nederland, zij hebben de hele asielprocedure doorlopen en moeten terug. In de hoofdstad wordt nu al enige tijd geroepen om zogenaamde ‘bed, bad en brood’-voorzieningen voor uitgeprocedeerden. Bij monde van de Amsterdamse GroenLinks-fractievoorzitter Groot Wassink tijdens een raadscommissie: „Het wordt tijd dat Amsterdam haar verantwoordelijkheid neemt en deze mensen opvangt.” Op de vraag wie Amsterdam precies moet opvangen, antwoordde de hij: „Iedereen, uitgeprocedeerd of niet, wij trekken geen grenzen.” De spreker kon op veel bijval en applaus rekenen van de aanwezige toeschouwers, bestaande uit tientallen asielzoekers en activisten.

In het politieke spel is makkelijk scoren natuurlijk erg verleidelijk. Het wordt echter pijnlijk op het moment dat tientallen mensen in de zaal, en wie weet hoeveel meer in de stad, verwachtingsvol hun lot en leven aan deze lege woorden hangen.

Voor iedereen opvang, zonder enkele criteria, afbakening of einddatum is door niemand waar te maken, ook niet door partijen als GroenLinks. Daarnaast is het ook niet wenselijk aangezien het de fundamentele uitgangspunten van het internationale asielbeleid schendt: rechtvaardigheid, rechtmatigheid en humaniteit.

Niemand weet hoeveel uitgeprocedeerde asielzoekers momenteel in Nederland leven. Duizenden, wellicht tienduizenden zouden dus vervolgens, terecht, naar Amsterdam komen voor opvang. Voorstanders van dit luchtkasteel geven aan dat de grens van het aantal asielzoekers dat toelaatbaar is, vanzelf door de beperktheid van de financiële middelen getekend zal worden. Echter, ik zou deze zeer arbitraire grens niet kunnen uitleggen aan de asielzoekers die door louter pech net aan de verkeerde kant uitvallen. Ook zou ik aan de asielzoekers die inmiddels vertrokken zijn, niet kunnen uitleggen waarom zij wel en anderen niet. Het rechtvaardigheidsbeginsel van het asielbeleid wordt hiermee volledig onderuit gehaald.

Daarnaast pleit men voor een vorm van opvang waarbij asielzoekers alleen ’s nachts naar binnen mogen. Dat betekent dat zij van 8 tot 8 doelloos op straat zwerven. Er wordt hen geen perspectief op een goed leven geboden. Dat kan ook niet, immers, zij zijn uitgeprocedeerd. Hun toekomst, hun perspectief, ligt in het land van herkomst. Wij hebben ze dus niets te bieden. Aangezien dit ook een zeer onwenselijke situatie is, zal al snel het debat gevoerd worden over of deze mensen ook niet een werkvergunning of een uitkering moeten krijgen. Daarmee kan het asielbeleid, dat gericht was op het bieden van bescherming aan vluchtelingen, net zo goed afgeschaft worden. Van een rechtmatige toetsing is immers geen sprake meer.

Ik deel de behoefte aan een humane oplossing voor het schrijnende probleem van asielzoekers die op straat staan. Voor degenen die zorg nodig hebben of niet terug kunnen omdat ze de benodigde papieren niet kunnen verkrijgen, is er tijdelijke opvang. En degenen die terug kunnen, moeten terug. Dat dit gepaard kan gaan met flinke dilemma’s, ontkent niemand.

Maar laat ik de politici die snel en goedkoop willen scoren over de ruggen van mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden dit zeggen: asielbeleid is geen immigratiebeleid.

De uitgeprocedeerde asielzoekers hebben niets aan valse hoop en loze woorden van politici die niet het lef hebben om bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen. Dilemma’s durven benoemen en eerlijk zijn over de (on)mogelijkheden, is niet hard, nee, dat is het meest humane wat we kunnen doen voor deze mensen. Zaken beloven die niet waargemaakt kunnen worden, ondermijnt alle draagvlak voor een rechtvaardig, rechtmatig en humaan asielbeleid. En misschien wel het allerergste van alles; die moeder met de twee kleine kinderen laten we keihard in de steek.