Waardering voor gereformeerde nestwarmte

Refofilms

Ex-refo’s spelen sinds de jaren zestig een hoofdrol in de literatuur – en de film. Maar de bitterheid van toen maakt nu plaats voor begrip en bitterzoete nostalgie.

De eerste beelden van Dorsvloer vol confetti zijn meteen raak. Dochter Katelijne heeft zonder overleg Duitse kampeerders toegestaan hun tent een nacht op te zetten op het hof van de boerderij. De familie verzamelt zich handenwringend en fluisterend voor de vensters. Wegsturen kan niet meer, maar straks willen die heidenen nog het toilet gebruiken! Nou, dat probleem is opgelost, zegt een broer droog, als het Duitse zoontje over een konijnenhok plast.

Angstig en wantrouwend door de vitrages naar de boze buitenwereld gluren: een bevindelijk gereformeerd Zeeuws milieu als in Franca Treurs bestseller was een kwart eeuw geleden zonder twijfel verfilmd met kille, schemerige kamers waar alleen het getik van staartklok en breipennen de benauwende stilte doorbreekt. En ook in de boerderij van Dorsvloer vol confetti, die vrijdag in première gaat bij Film by the Sea, ontbreekt televisie en mag de radio alleen aan voor het weerbericht. Maar binnen blijkt het lawaaiig, warm, kneuterig.

Die lichte toon: dat trok regisseur Tallulah Hazekamp Schwab in de roman. „Zo’n scène waar Katelijne met haar zes broers aan tafel zit. Je denkt bij gereformeerd aan stil en braaf, maar ze schoppen onder de tafel, vallen elkaar in de rede, maken ruzie en vader laat een wind. Bijna Italiaans eigenlijk. Zo onverwachts vond ik dat.” Gereformeerden lijken bij Hazekamp Schwab wel mensen. Sterker nog: hun sobere leven in een weids Zeeuws landschap van graanvelden en boerderijen heeft iets aantrekkelijks. Met overal die overzichtelijke, strakke horizon.

Schurkenrol

In Dorsvloer vol confetti is streng calvinisme bijna folklore. Een trendbreuk, want in de Nederlandse speelfilm is voor dominees en ouderlingen van oudsher een schurkenrol weggelegd. Speelfilms kwamen hier tot wasdom in de jaren zestig en zeventig, toen ‘ex-refo’s’ als Jan Wolkers, Maarten ’t Hart en Jan Siebelink de literatuur gingen domineren. In hun ‘ontworstelromans’ schudden ex-gereformeerden geloof, opvoeding en ‘knevelchristenen’ van zich af, soms aan het sterfbed van de ouders. Dat leverde in de jaren tachtig films op als Een vlucht regenwulpen (1981, Ate de Jong) en Terug naar Oegstgeest (1987, Theo van Gogh). Filmgereformeerden, dat waren rood aanlopende dominees die speeksel sproeiend hel en verdoemenis predikten of ouderlingen die met geheven wijsvingertje huiskamers binnendrongen.

Afrekening met het calvinisme ziet regisseur Ate de Jong (61) als hoofdthema van de Nederlandse film. „Vaak onder de oppervlakte.” Toen hij Maarten ’t Harts Een vlucht regenwulpen verfilmde, waarin de stuntelige bioloog Maarten in een visioen van de Heere bevel krijgt met een vrouw te slapen, was hij zelf nog niet zo lang los van het geloof. „Ik kwam niet uit zo’n streng milieu als ’t Hart, maar zat wel elke zondag in de kerkbanken. Voor mij stond calvinisme voor eenzaamheid en vreugdeloosheid. En het blijft altijd bij je, dat stemmetje dat je verbiedt te genieten.”

Paul Verhoeven (76), als student bijna in een godsdienstpsychose beland, klampt zich in zijn films in navolging van Jan Wolkers bijna verbeten vast aan het stoffelijke en profane. Nog in 2006 wemelde zijn oorlogsfilm Zwartboek van gereformeerde karikaturen: boer Tjepkema, die de joodse onderduikster Rachel alleen eten geeft als ze verzen uit het Nieuwe Testament opzegt, verzetsman Theo, die uit gewetensnood niet kan doden – tot iemand godverdomme zegt.

Ben Sombogaart (67) maakte van rampenfilm De storm (2010) een ontworstelfilm: door de Watersnoodsramp ontsnapt zwangere boerendochter Julia in 1953 aan haar benepen dorp met een stoere helikopterpiloot. In Bride Flight (2009) is de tragedie dat Ada om de kinderen bij gereformeerde dwingeland Frank blijft. Sombogaart hoopt komend voorjaar eindelijk te kunnen beginnen aan de verfilming van Jan Siebelinks bestseller Knielen op een bed violen, over tuinder Hans Sievez die zich tijdelijk aan het geloof ontworstelt, om dan alsnog in de ban te raken van een benauwende sekte.

Zelf komt Sombogaart uit een werelds nest, zegt hij. „Maar wat me boeit, zijn mensen die zich bevrijden van wat er van ze verwacht wordt.” Het calvinisme heeft Nederland – „althans boven de rivieren” – gevormd, denkt hij. „Die typerende Nederlandse deugden: eerlijk, nuchter, vasthoudend, solidair en plichtsgetrouw.” Maar in hetzelfde gereformeerde Zeeland van Dorsvloer vol confetti botste hij op paranoia, geslotenheid en „best veel agressie” toen hij De storm filmde: de burgemeester van Stavenisse kwam te elfder ure terug van zijn toestemming toen SGP en dorp in opstand kwamen. Sombogaart ziet het geloof dan ook niet als aardige folklore. „Tijdens mijn research las ik over Zeeuwse jongens die in 1953 hun hele familie verloren en daarover nooit mochten praten. Want de ramp was een straf van God, praten of zelfs nadenken was opstandigheid. Ik vind dat echt niet onschuldig.”

Van God verlaten

Dat lijkt een generatiekwestie. God is al lang geleden uit Jorwerd verdwenen; de jongere generatie herinnert zich nauwelijks hoe dwingend en dominant de in de jaren zestig verbazingwekkend snel weggesmolten gereformeerde zuil ooit was. Zwarte kousen: het lijkt nu vooral bedreigd cultuurgoed, bedreven in verre dorpjes in de Bijbelgordel tussen Zeeland en Staphorst en verdedigd door koddige heren in zwarte pakken van de SGP.

In de film Matterhorn van Diederik Ebbinge (45), publieksfavoriet van het filmfestival Rotterdam, is ouderling Fred een deerniswekkende eenling die zijn liefde voor zijn verstoten, want homoseksuele zoon projecteert op een halfgare zwerver. De calvinist is geen tiran, maar een zielepoot in een soort reservaat.

In Boven is het stil uit 2013 van Nanouk Leopold (46), naar de roman van Gerbrand Bakker, worstelt de veertigjarige boerenzoon Helmer met zijn homoseksualiteit terwijl zijn vader op sterven ligt – een klassieke situatie uit de ‘ontworstelingsliteratuur’. Helmer is stroef, gesloten, zwijgzaam: een echte poldercalvinist dus. Maar God speelt geen rol: hooguit zingt Helmer terloops een half onthouden psalm bij het fikkie stoken. Leopold: „Maar de sfeer van calvinisme blijft hangen. In onze volksaard en ook bij mij. Ik ben vierde generatie atheïst, maar ben in mijn werk veel te streng, te bang voor uitspattingen. Ik moet mezelf nog van het calvinisme bevrijden. Hier kan niemand een film als La grande bellezza maken.”

De herwaardering voor gereformeerden in de film kan ook samenhangen met de zoektocht naar Nederlandse identiteit na 2000. Ate de Jong oordeelt tegenwoordig milder over het geloof der vaderen en de bijbehorende deugden. „Die zijn wel erg op de achtergrond geraakt in Nederland. Iedereen jaagt op zijn 15 minuten beroemdheid en pret of zwelgt in emoties. De calvinistische bescheidenheid, zelftucht en solidariteit, dat mis ik soms wel.”