is harde vechtmarkt

Is er een probleem met de toneelschrijfkunst in Nederland? Dat was gisteren op het Theaterfestival de vraag bij een debat over de staat van de Nederlandse theatertekst. Een honderdtal schrijvers, regisseurs en dramaturgen gingen met elkaar in discussie.

De jonge toneelschrijvers Timen Jan Veenstra en Malou de Roy van Zuydewijn vonden van wel. Er is te weinig doorstroming, er zijn te weinig plekken waar auteurs zich kunnen ontwikkelen en de aandacht voor schrijvers bij fondsen, overheid, publiek en pers is onvoldoende, was hun stelling.

Remco van Rijn, dramaturg bij het Nationale Toneel, zag het probleem niet. Hij wees erop dat tweederde van de selectie van het Theaterfestival bestaat uit nieuw Nederlands werk, net als de gehele selectie van jeugdtheatervoorstellingen. De toneelschrijfkunst is een vechtmarkt, maar zo’n resultaat zegt toch veel over de kracht en vitaliteit van de schrijfkunst, wierp Van Rijn tegen.

Veenstra presenteerde een uitgebreid onderzoek van zijn theatercollectief De Tekstsmederij en de Universiteit Utrecht naar de carrières en het imago van toneelschrijvers. De cijfers lieten zien dat het aandeel van nieuwe teksten in tien jaar van 15 naar 20 procent van het aantal voorstellingen per seizoen is gegroeid. De conclusie was dat toneelschrijvers en nieuwe Nederlandse teksten weliswaar „hot” zijn, maar dat het een trend is „gedragen door individuen”, die „geweldige teksten afleveren”. En: „Individuen zijn geen cultuur.”

Een belangrijk pijnpunt in die ‘cultuur’ dat Veenstra uit het onderzoek destilleerde, zat bij de toneelschrijvers die niet regisseren. Want de regisseur die zelf schrijft, is een stevige concurrent. Die wordt even vaak opgevoerd als autonome schrijvers. Gevoegd bij de observatie dat er een harde kern is van gearriveerde veelschrijvers is de positie van schrijftalent dat zich nog moet bewijzen penibel, aldus Veenstra.

Maar of het niet moest gaan over de kwaliteit van teksten, vroeg iemand. Daarover is in november een symposium, met meer debat.