Superbrein speel je zonder grime en pruik

Hoe speel je een genie? Voor Tobey Maguire was het makkelijk: „Ik ben er een dus ik hoef niet diep te graven.”

We kennen hem tegenwoordig als de Turingtest, het experiment dat moet uitwijzen of een machine kan denken. Of beter: of een machine, in dit geval een computer, intelligent menselijk gedrag kan vertonen. De Britse wiskundige Alan Turing werkte dit in de jaren vijftig van de afgelopen eeuw uit aan de hand van een imitatiespel: als de computer zich voor kan doen als mens is het experiment geslaagd. Of mislukt natuurlijk. Afhankelijk van wiens perspectief je inneemt.

Acteren is ook een imitatiespel. Niet alleen maar. Maar wel vaak. Vooral als acteurs in de huid kruipen van echt bestaande personen. Een deel van de fascinatie van het publiek met zogeheten biopics gaat uit naar de vraag hoe goed de acteur lijkt op degene die hij moet spelen. Als de hele hoeden- en pruikenafdeling erbij is gehaald om een dubbelganger te creëren dan zijn we vaak al tevreden. Als het lijkt is het echt en zal het wel goed zijn.

Alan Turing is niet alleen de bedenker van dat imitatiespel, maar ook de hoofdpersoon van The Imitation Game, die deze week in première ging op het 39ste Toronto International Film Festival. Hij wordt gespeeld door Benedict Cumberbatch. De Engelse acteur is mede door zijn hoofdrol in de moderne BBC-serie Sherlock (2010) zowel een ster als een cultheld die voor geen spat op Turing lijkt. Zijn imitatiespel moest dus van iets anders komen. De grimeafdeling heeft het ook maar zo gelaten. Ze gingen er waarschijnlijk van uit dat mensen zijn naam als wiskundige kennen en misschien ook nog wel dat hij in de Tweede Wereldoorlog hielp de beruchte Duitse Enigma-codeermachine te kraken, maar dat niemand zich zijn gezicht voor de geest kan halen.

Cumberbatch researchte zich suf en creëerde zijn eigen Alan Turing, die omdat hij een interessant personage is geloofwaardig overkomt. Bij gebrek aan bewegende beelden bestudeerde Cumberbatch foto’s, sprak met mensen en las alles wat los- en vastzat. Via kleine eigenaardigheden, zoals Turings gestotter en lichte hinken werkte hij zich naar de kern van zijn personage. Turing lijkt in The Imitation Game echt. Maar hij lijkt niet op zijn foto’s. Vanaf nu ziet Alan Turing eruit als Benedict Cumberbatch.

Ook Tobey ‘Spiderman’ Maguire is niet bepaald het evenbeeld van schaaklegende Bobby Fischer die hij speelt in Pawn Sacrifice. Een film die inzoomt op Fischers paranoïde strijd met de Russische kampioen Boris Spassky en de rol van de CIA daarin. Maguire lijkt met zijn bolle ogen eerder op een jonge Stanley Kubrick, ook iemand die schaak speelde in het New Yorkse Washington Square Park, maar toen was Fischer nog niet geboren.

Maguire had het geluk dat hij, anders dan Cumberbatch, talloze filmbeelden van Fischer kon bestuderen om hem zijn motoriek en tics eigen te maken, vertelde hij tijdens een interview met deze krant in Toronto. Maar verder deed hij niet zoveel bijzonders om in de huid van het genie te kruipen. „Ik ben er zelf een, dus ik hoef niet zo diep te graven”, vertelt de acteur met een uitgestreken gezicht.

Beide films hebben veel overeenkomsten. Ze zijn waargebeurd. Ze gaan over superbreinen. En worstelen met de vraag: hoe verduidelijk je in hemelsnaam dat iemand er van buiten onbewogen uitziet, maar in diens hoofd ondertussen een wervelstorm woedt over een getal van 27 cijfers, oftewel het aantal mogelijke lettervolgordes dat we met de 26 letters van ons alfabet kunnen maken? Of die bij elke zet moet denken aan de miljoenen mogelijkheden die daaruit voortvloeien? Beide regisseurs lossen dat op door vooral op de gezichten van de acteurs in te zoomen, alsof we naar de buitenkant van een computer kijken en ons het geraas en geratel daarachter moeten voorstellen.

Een andere overeenkomst: de geheime dienst had een stevige greep op het leven van beide hoofdpersonages. In Pawn Sacrifice wordt gesuggereerd dat Bobby Fischer de pion was die door de CIA werd opgeofferd om tijdens de Koude Oorlog de Russen in ieder geval op het slagveld van het schaakbord te kunnen verslaan. Turing werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog voor MI6 op landhuis Bletchley Park aan de voorvader van de computer die, zoals Churchill later zou zeggen, uiteindelijk „de nazi’s zou verslaan”.

Het stelt ons gerust dat ze allebei de nodige eigenaardigheden hebben. Turing stottert, hinkt en heeft geen talent voor humor. Maguires Fischer is het meest idiosyncratisch, maar van hem weten we dat hij aan het einde van zijn leven dan ook behoorlijk gaga was. Regisseur Edward Zwick (bekend van grote epossen als The Last Samurai en Blood Diamond) zoomt voortdurend in op Maguires ogen, handen en oren, om ook de toeschouwer het gevoel te geven dat er steeds maar impulsen door zijn lichaam schoten, net zoals in de protocomputer van Alan Turing.

Het monsterlijke apparaat met al z’n radertjes en bedradingen is een prachtige visuele metafoor voor de manier waarop we de breinen van beide mannen moeten voorstellen: als machines. Want ze zijn slimmer dan wij. Ze kunnen ons van alles wijsmaken. Dus winnen ze elk imitatiespel. En dan worden ze ook nog eens gespeeld door twee acteurs die niet het gezicht van het origineel nodig hebben, die wonderbaarlijk acteertalent kunnen inzetten om ons te laten geloven dat zij echter zijn dan wie ze spelen.