De krant voor een prikkie

Voor de Albert Heijn stond een blonde jongen in een blauw jack. Hij had een grote mond met lange tanden waar een lange adem doorheen liep. Een kop voor de politiek. Hij bood me Het Parool aan, drukte zijn hand op de borst en zei: „Ik ben Adriaan.”

Als ik me voor twee jaar abonneerde, kreeg ik de krant voor een prikkie en vele mooie extra’s gratis.

Adriaan trommelde met zijn vingers op zijn clipboard. Een aankondigingsdrum. „Houd je van lekker eten?”

De gekkerd die daarvan hield, had extra geluk: Het Parool gaf waardebonnen weg waarmee je voor 150 euro bij lokale speciaalzaken kon shoppen. Adriaan kuste zijn duim en wijsvinger. „Die chocolaterie hier om de hoek? Goddelijk.”

„Veel mensen zeggen: ik lees die krant doordeweeks niet. Maar in het weekend willen ze een uurtje authentiek papier. Wij zien ook graag dat mensen op papier lezen, want dat is fijn voor onze adverteerders.”

Hij toonde me de achterkant van de krant: een paginagrote reclame.

Over de binnenkant werd niet gesproken. Hoewel, hij raadde toch een Parool-specifieke rubriek aan: „Veel mensen van jouw leeftijd lezen het nieuws liever op internet, maar willen wel onze prachtige uitgaansagenda ontvangen.”

Adriaan had zijn pen al klaar voor een vinkje en een krabbeltje.

Maar ik was niet ‘veel mensen’. Hij lepelde alweer een volgend argument op: „Je helpt de krant en lokale ondernemers overleven.”

Ik zou niet alleen klant worden, maar ook idealist. Consumeren werd mijn plicht zodat de ander niet ten onderging.

Adriaans taal klonk cool, maar het voelde alsof hij smeekte. Zoals een stiekeme alcoholist zijn maten aanspoort om te drinken onder het mom van je moet een beetje leven.

Ik hield mijn mond stijf en knarste ‘Nee’ – een nee die deze keer niet als ‘ja’ kon worden opgevat.

Adriaan stak de krant alweer uit naar de volgende passant, „Gratis!”

Een man wilde de krant wel hebben, maar weigerde een praatje te maken. Hij droeg een stug spijkerjack en had waaierig grijs haar; te oud om zich aan het vermoeiende voor-wat-hoort-wat protocol te houden.

Toch liep Adriaan achter hem aan, als een charmeur die in een volle club zijn falen niet ziet – hij staat er te dicht op.

De man zei hard: „Wij kunnen de krant niet betalen. Wij leven van een schamel pensioen.”

Het andere deel van zijn wij was er niet bij.

Adriaan drong aan: „Maar u zou de krant wel wíllen hebben?”

Want waar een wil is, is een weg. „Houdt u van lekker eten?”

De man gaf Adriaan zijn gratis krant terug en zei dat lekker eten ook duur was.