Nou. Knallen dan maar weer

De Amerikaanse president Barack Obama spreekt zijn land maar zelden toe. Vannacht is het zover. Dan moet Obama zich verweren tegen de kritiek dat hij twijfelt over de aanpak van IS. En hij moet duidelijk maken in hoeverre hij bereid is oorlog te voeren.

Welke Barack Obama zal vannacht om drie uur Nederlandse tijd de Amerikaanse bevolking toespreken? Is het de Obama die de Islamitische Staat een „jeugdbasketbalteam” noemde, dat zich groot waande door T-shirts van sterspeler Kobe Bryant aan te trekken? Of is het de Obama die beloofde dat er „geen plek is voor groepen als ISIL” (zoals hij IS altijd noemt) in de 21ste eeuw? Wordt het de Obama die niet militair wil ingrijpen „puur omdat er ergens op de wereld een probleem is dat ik wil repareren”, of de Obama die IS een „kanker” noemt, dat „moet worden uitgeroeid voordat het uitzaait”?

President Obama speecht veel, maar als hij zijn bevolking rechtstreeks toespreekt, is er iets groots aan de hand. Tot nu toe heeft hij het negen keer gedaan. De laatste keer dat hij dat deed, in de zomer van vorig jaar, vroeg hij steun om mogelijk in te grijpen in de Syrische burgeroorlog. Deze keer zal hij uiteenzetten wat zijn strategie wordt om IS aan te pakken. Hij werd hiertoe de afgelopen dagen min of meer gedwongen, omdat hij vorige week tijdens een persconferentie opmerkte: „Ik wil het paard niet voor de wagen spannen. We hebben nog geen strategie.”

Die opmerking was enigszins uit zijn verband getrokken, Obama doelde vooral op de internationale samenwerking, maar sindsdien zit de president in het defensief. Sinds de onthoofding van de Amerikaanse journalisten James Foley en Steven Sotloff wil een meerderheid van de Amerikaanse bevolking actie tegen IS.

Ook het Congres wil militaire actie. Binnen zijn eigen partij en bij de Republikeinen is voldoende steun om militair in te grijpen. Dat was vorig jaar, toen hij hetzelfde in Syrië wilde doen, totaal anders. Toen was Obama de grote interventionist, nu verwijten zijn Republikeinse tegenstanders hem dat hij een twijfelaar is. Wat Obama achtervolgt, is dat hij meteen na zijn persconferentie over James Foley was gaan golfen (hij had nog vakantie). Dit weekend moest hij toegeven dat dat een onhandig beeld was.

Hij verloste de VS van oorlog

Vannacht moet Obama doen wat hij tot nu toe naliet: een coherente visie op de Islamitische Staat formuleren. De ene keer nuanceert hij de beweging, de andere keer onderstreept hij het gevaar. Het weerspiegelt Obama’s ambivalente houding ten opzichte van de rol van Amerika in de wereld. Het beëindigen van de oorlogen in Irak, in 2011, en (later) in Afghanistan ziet hij als een grote verdienste: hij verloste Amerika van een decennium van oorlog. Hij noemde Irak „soeverein en stabiel”, hoewel ook hij wist dat de Iraakse regering de sektarische tegenstellingen alleen maar vergrootte.

Tegelijk vindt hij dat ingrijpen bij grote humanitaire drama’s nog altijd moet. Daarom begon hij vorige maand met luchtaanvallen op IS-doelen in Irak. Vannacht moet duidelijk worden waar hij de grens trekt en hoe groot de Amerikaanse militaire betrokkenheid in Irak en Syrië wordt. De zwalkende woorden van de laatste maanden duiden op een diepe aarzeling om opnieuw een uitzichtloos conflict ingetrokken te worden.

Een strijdplan in drie fases

Het Witte Huis heeft al enkele details van Obama’s plannen gelekt. Allereerst mag de oorlog geen puur Amerikaans project zijn. Obama en minister John Kerry van Buitenlandse Zaken zoeken naar internationale partners om IS te verslaan. Er is enige aarzeling onder bondgenoten om zich na de Irak-oorlog van 2003 weer in een ‘coalition of the willing’ te scharen, maar Obama heeft zich al verzekerd van de steun van negen landen, waaronder Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en Italië. Kerry zal in het Midden-Oosten proberen landen achter een strijdplan te krijgen.

Het militaire plan is nog vaag. Amerikanen willen vooral weten of er mogelijk weer troepen gestuurd gaan worden. Het Witte Huis lekte afgelopen weekend in The New York Times dat Obama een strijdplan van drie fases voor zich ziet. De eerste fase is al begonnen: luchtaanvallen op IS-doelen in Irak. De aanvallen zijn volgens het Pentagon redelijk succesvol geweest: ze hebben de opmars van IS grotendeels gestuit, maar vormen geen fundamenteel gevaar voor IS.

De tweede fase moet binnenkort beginnen. Obama wil het Iraakse en Koerdische leger en sommige sunnitische groepen bewapenen en trainen. De formatie van een nieuwe Iraakse regering, die afgelopen maandag rondkwam, was een absolute voorwaarde voor Obama.

De derde fase is nog vaag: Obama wil IS militair vernietigen in Syrië. Dat zal een proces van lange adem worden, waarschijnlijk langer dan zijn presidentschap nog duurt. Onduidelijk is nog of hij dat doel met grondtroepen wil bereiken, met het bewapenen van Syrische rebellen, of met luchtaanvallen. Van die keuze hangt alles af: zet Obama grondtroepen in, dan zet hij de steun in eigen land op het spel. De emoties na de dood van Sotloff en Foley zijn groot, maar de eerste beelden van gesneuvelde Amerikaanse militairen zullen de nachtmerrie van Irak opnieuw in herinnering brengen.

Obama heeft jarenlang krediet van zijn bevolking gekregen, omdat hij brak met de interventiepolitiek van George W. Bush. Als hij ingreep, had dat weinig merkbare gevolgen voor de Verenigde Staten, denk aan de oorlog met onbemande vliegtuigen in Pakistan en Jemen, of de luchtaanvallen in Libië in 2011. Nu dwingt de Islamitische Staat hem stelling te nemen en mogelijk een nieuwe oorlog te beginnen. Obama moet niet alleen het gevaar van IS inschatten, maar ook zijn visie op Amerika’s rol in de wereld helder hebben. Vannacht wordt dat getest.