God openbaart zich in de kleinste details

Maria, Jozef en Jezus op Heilige Familie van de Meester van de Legende van de Heilige Magdalena. Foto KMSKA/Lukasweb

Vraag eens rond wat het begrip ‘renaissance’ inhoudt en de kans is groot op een variant van de opvatting dat in die periode de mens centraal kwam te staan. God en Kerk worden geassocieerd met de Middeleeuwen; de nieuwe tijd met de belangstelling voor de zichtbare en tastbare omgeving van het individu.

Dat het allemaal wat genuanceerder ligt, illustreert een tentoonstelling van Vlaamse schilderijen in Rijksmuseum Twenthe.

Op die expositie hangen zo’n 25 werken uit het tijdelijk gesloten Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, aangevuld met ongeveer evenveel schilderijen en sculpturen uit de eigen collectie. Ze tonen hoe de nauwkeurige observatie en natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid, in ruwweg de periode 1425-1525, voorstellingen opleverde die bij uitstek tegemoetkwamen aan de religieuze beleving van de mensen toen.

Geholpen door de olieverftechniek die hij tot in de puntjes beheerste, wist de Limburgse schilder Jan van Eyck in de eerste decennia van de vijftiende eeuw details en materialen verbijsterend goed te treffen. In bijvoorbeeld het nog geen twintig centimeter hoge paneeltje van Maria met kind bij een fontein uit 1439 (overigens het enige werk van de meester op de tentoonstelling) kun je je voorstellen hoe de herkenbaarheid van de elementen in de voorstelling hielp bij de individuele geloofsbeleving die zich juist in die periode verspreidde. Voor de laatmiddeleeuwse gelovige openbaarde God zich in de kleinste onderdelen van zijn schepping.

Het idee van de weergave van de zichtbare wereld als bron van identificatie en religieus geïnspireerde empathie komt steeds terug in de expositie. Zo transformeerde een anonieme meester uit begin zestiende eeuw de heilige familie tot een gemoedelijk tafereel, met Maria die in een Vlaamse binnenkamer haar man Jozef begroet die met een mand timmergereedschap aan de arm en een knijpbril in de hand binnenkomt. Jezus is een jongen van een jaar of twee die enthousiast aan Jozefs gewaad trekt. Maar ook de passie die Christus later zou ondergaan wordt op een nietsontziende manier in beeld gebracht, zonder twijfel om de beschouwer tot letterlijk mede-lijden te bewegen. De voorstellingen sluiten daarmee aan bij devotionele ideeën zoals die uit teksten uit die tijd bekend zijn.

Toch wringt er iets in deze presentatie. Precies dezelfde gedetailleerdheid die Van Eyck en zijn tijdgenoot Rogier van der Weyden (ook met één werk vertegenwoordigd) toepasten in voorstellingen uit Bijbel en heiligenverhalen, hanteerden ze ook in portretten van stervelingen. Te stellen dat „God langzaam maar zeker van zijn troon wordt gestoten”, omdat privépersonen steeds vaker het hoofdonderwerp van schilderijen vormen, neigt naar het populaire, maar onjuiste beeld van de Renaissance.

In de laatste zaal van de tentoonstelling staat een vitrine die illustreert hoe de bestudering van de werkelijkheid de basis zou gaan vormen voor wetenschappelijk onderzoek. Maar met globes en anatomische boeken die hoofdzakelijk uit de achttiende eeuw dateren, wordt een wel heel grote stap gezet in een uiteindelijk al te simplistisch voorgestelde ontwikkeling waarin de mens God steeds verder uit het oog verloor.