Column

De overheid oefent vast op ‘jihadjongeren’

De overheid wil ons gedrag steeds meer sturen. In de strijd tegen radicalisering mag alles, ziet René Moerland.

Een vage minister (Opstelten van Veiligheid en Justitie) en twee ‘harde’ plannen roepen vragen op over privacy en rechtsstaat: het massaal opslaan van reisgegevens (gestuit in de Tweede Kamer) en het innemen van paspoorten door de minister zonder tussenkomst van de rechter (hangt nog). Meer was niet nodig om aan de aandacht te onttrekken dat in Den Haag op dit moment wordt gesproken over nog wel verregaander beleid om jongeren af te houden van sympathie voor gewelddadige islamitische bewegingen.

Het is een goed principe dat je eerst iets moet doen voordat je erop kunt worden aangesproken. Maar jongeren die vatbaar lijken voor radicalisering wordt het voortaan gemakkelijk gemaakt. De overheid brengt hen al „in kaart” terwijl ze zelf nog niet weten dat zij misschien radicale sympathieën gaan koesteren. Het is voldoende dat zij „risico lopen”. Burgemeesters, buurtwerkers, politieagenten en onderwijzers gaan „iedere dag” op zoek naar jongeren die zich „van de samenleving dreigen te vervreemden”, zei minister Asscher (Integratie, PvdA) in de Kamer. Die jongeren krijgen dan een „persoonlijke aanpak”, onder meer met „psychiatrische of psychologische hulp waar dat nodig is”. En o ja: „Dit heeft niets te maken met een softe opstelling.”

Inderdaad, gedragssturing – want daar is deze benadering een voorbeeld van – is niet soft. Nudging is de macht van de toekomst. Door technologie en almaar fijnere kennis van (onbewust) menselijk gedrag kan de overheid (net als bedrijven dat doen) op steeds slimmere en subtielere wijze mensen ‘sturen’. Vaak worden voorbeelden gegeven van niet al te omstreden normen. Een automatische snelheidsbegrenzer in de auto werkt beter dan verkeersborden + boetes.

Fout of onverstandig gedrag wordt zo moeilijker. Maar wat als je niet wílt deugen? Toen de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling het kabinet in maart adviseerde over nudging, was het kernwoord autonomie. RMO-voorzitter Sadik Harchaoui formuleerde het toen als volgt in deze krant: „Een nudgende overheid kan alleen als zij mensen weerbaarder wil maken tegen verleidingen. Zodat mensen de waarden waar ze achterstaan ook écht na kunnen streven.”

Valt het voorkomen van radicalisering van jongeren daaronder? Op het eerste gezicht niet: het gaat hier juist om mensen voor wie democratie en rechtsstaat geen vanzelfsprekende waarden zijn. Geloof en politiek lenen zich bovendien slecht voor gedragsturing – zeker door de overheid. Maar niet voor niets horen we dezer dagen vaak dat rechtsstaat en democratie waarden zijn waar niemand zich buiten mag plaatsen. Anders lever je je paspoort maar in, zegt burgemeester Aboutaleb van Rotterdam. Of pak ik het af, zegt Opstelten van Veiligheid.

Met democratie en rechtsstaat als verplichte waarden worden radicaliserende jongeren een proeftuin voor nudging. Alles mag, in de strijd tegen de radicaliserende invloed die zij ondergaan. Expertisecentra, vroegtijdig signaleren, schooldirecteur, wijkteams – dat zijn de toverwoorden, vooral ter linkerzijde. Het ligt voor de hand dat de AIVD ook een rol speelt, mede door de naar het schijnt groeiende behendigheid van de inlichtingendienst op sociale media.

Gedrag van ‘beïnvloedbare’ jongeren is te voorspellen. Met barbarij voor ogen is vooraf ingrijpen een verleiding voor de overheid die moeilijk is te weerstaan. Uiteindelijk zegt de aanpak van (mogelijk) radicaliserende jongeren meer over het veranderen van de samenleving dan hun geflirt met ‘jihad’.