Uitbundige Beck zwerft gretig van stijl naar stijl

Beck gaf in de HMH een gevarieerd concert met als constante in de nummers zijn liefde voor achteloze rap. Foto Andreas Terlaak

Er is Beck de toegewijde balladezanger, Beck de nonchalante rapper, Beck de glamrocker, Beck de discodanser en Beck de ironicus. De Amerikaanse muzikant/zanger/producer Beck (44), begonnen in 1993, heeft inmiddels een uitgebreid oeuvre aan cd’s en stijlen. Zijn nieuwe album, Morning Phase, is een prachtig geproduceerde stijloefening in sixties-melancholie, met desoriënterende geluidsflarden en zweverige vocalen.

Maar live is er, bleek gisteravond in de niet zo volle Heineken Music Hall, een heel andere Beck te zien. Met zeven man op het podium flitste het optreden langs de genres die hij in de loop van twintig jaar heeft verkend. Anders dan de vorige keer dat Beck in Nederland optrad, in 2008, was hij in een gretige en uitbundige stemming. Als een slanke rodeocowboy, met zwart pak, rode blouse en zwarte hoed, laveerde hij over het podium, om bijna zonder pauze te schakelen van de introverte toon van de nieuwe nummers naar de uitdagende stijl van eerdere tijden. Hij praatte nauwelijks tussendoor, maar liet merken dat zijn hang naar absurdisme nog niet verdwenen is – zoals hij ooit optrad met marionetten die zijn liedjes ‘uitvoerden’, of met een paardenhoofd als masker. Nu kwamen zijn bandleden samen voor maffe dansjes en overdreven rock-’n-rollposes, om meteen daarna weer trefzeker hun partijen te leveren. De ruime kring van muzikanten, onder wie stergitaristen Smokey Hormel en Jason Falkner, leverde verbluffende bijdragen, steeds wisselend van instrument om ieder detail op banjo, mondharmonica, keyboard of cello tot zijn recht te laten komen.

Het optreden opende met drie klassiekers, waaronder Devil’s Haircut en Loser, en eindigde met Sexx Laws en het gecroonde Debra. Daartussen speelde hij onder meer One Foot in the Grave, zijn verweerde bluessong met mondharmonica, en een glamrockversie van Novacane, met vonkende solo van Falkner.

Binnen al die variatie is een constante te ontdekken: Becks liefde voor de achteloze rap. Die stijl, bekend sinds zijn doorbraak-hit Loser (1994), is ritmisch maar verfrissend on-macho, en was terug te horen in veel van de ruim twintig nummers die hij speelde, begeleid door funky basgitaar en opzwepende drums. Zo zwervend van stijl naar stijl – waaronder een citaat Donna Summers I Feel Love – blijkt de flegmatieke Beck nog altijd fascinerend ongrijpbaar.