Stuiteren in het groen

Om de zoveel tijd dezelfde zorgelijke geluiden: kinderen van nu spelen nauwelijks buiten en zitten alleen nog maar op de iPad. Kan natuur ze überhaupt nog boeien? Saskia van Loenen ging mee met drie natuurexcursies.

Meisjes op watersafari in ’s-Graveland wagen zich steeds verder in de bosvijver. Foto Ilvy Njiokiktjien

Watersafari

‘We gaan straks op safari naar waterbeestjes. Wat voor beestjes kan je allemaal in het water tegenkomen denk je?” „Een vis!” roept een jongetje. „Een krokodil”, zegt een meisje serieus. Zo’n twaalf kinderen in de leeftijd van 3 tot en met 8 luisteren naar boswachter Jeanette, die samen met collega Gerard de watersafari begeleidt. „Een krokodil niet, maar misschien wel een tak die eruitziet als een krokodil. Als je die mee naar huis neemt kan je er een leuke krokodil van maken.”

Twee groepjes vertrekken naar de bosvijver in ’s-Graveland, middenin het landgoed achter het hoofdkantoor van Natuurmonumenten, dat deze natuuractiviteit organiseert.

Bij de vijver liggen de bakken en schepnetjes al klaar. De kinderen krijgen een geplastificeerde kaart waarmee ze kunnen uitvinden welk beestje ze hebben gevangen. De schepnetjes gaan het water in, en omgekeerd terug in de witte bakken. „Kijk eerst eens goed hoe ie eruit ziet”, zegt de boswachter. Is ie dik of dun? Hoeveel poten heeft ie? Zwemt hij of loopt hij over het water? Kijk, dan kom je uit bij de schaatsenrijder.”

Het is bloedheet. Het water lonkt. Het eerste meisje stapt de vijver in. Van enkelhoogte gaat het naar kniehoogte, haar jurk wordt nat aan de onderkant, Even later staan vier meisjes met jurk omhoog tot hun buik in het water. Met schepnetjes proberen ze zo ver mogelijk in de vijver te reiken, want daar zwemmen zwarte visjes met rode vinnen. Anderen houden het bij de bakken, die allengs voller raken met kriebelende en zwemmende beestjes. Casper (8) uit Hilversum buigt zich nog eens over zijn bak. Wat heeft hij allemaal gevangen? Torren, een waterspin, een wormpje, een slak. Is de laatste verdronken? Domme vraag. „Het is een waterslak. Kijk maar. Als ie onder water is dan eet ie wat.” Zijn broertje Fabian (6) hoopt ondertussen dat hij een kikkervisje mee naar huis mag nemen. Hun vader Wim houdt de kalender van Natuurmonumenten goed in de gaten, vertelt hij. „Onlangs zijn we nog wezen varen op de Jisperplas. Hoe meer van dit soort dingen hoe beter. Want het liefst zitten ze natuurlijk de hele dag met de iPad. Als ik ze niet mee naar buiten neem doen ze het niet. Maar als ze er eenmaal zijn, nou ja, je ziet het.”

Herten en zwijnen

‘Hou je ogen goed open onderweg”, zegt boswachter Erik de Bruijn voor we in de landrovers stappen. „En zeg het meteen als je wat ziet.” Een groep van twintig volwassenen en kinderen staat klaar om op zoek te gaan naar edelherten. Staatsbosbeheer organiseert de excursies ‘De Grote Vijf’ (zeehond, edelhert, bever, wild zwijn en ree) en vanavond staat het edelhert centraal – we zijn immers op de Veluwe. Het is nog licht, maar de excursie zal tot elf uur duren, als de bossen in complete duisternis gehuld zijn. De gebieden zijn normaal gesproken niet toegankelijk voor publiek. Ondanks het late tijdstip is deze trip uitdrukkelijk ook bedoeld voor kinderen. Er is limonade, en de uitleg van de boswachter vooraf is afgestemd op de kleinste deelnemers. Ze horen dat de Veluwe het enige gebied is in Nederland waar het edelhert voorkomt. Elders zijn het de kleinere damherten – later op de avond zal hij de van elkaar verschillende geweien rond laten gaan. „Voelen jullie hoe zwaar hij is? Zo’n vijf kilo per stuk. Aan elke kant heeft hij er één. Een edelhert heeft dus enorme nekspieren.” De kinderen hangen aan zijn lippen. Dat een hert elk jaar zijn complete gewei verliest en weer helemaal opnieuw opbouwt is bijna niet voor te stellen.

Toch hoopt Niek (11) uit Apeldoorn vanavond vooral everzwijnen te zien, die andere grote beesten die hier rondstruinen. Herten had hij al eens gezien, vandaar. Maar Janine (7) uit Soest (afwisselend Maarn) heeft niet voor niets een hertjesjurkje aan. Ze vindt het „heel leuk, en heel interessant” en is eigenlijk altijd wel buiten, zegt ze. „Ik heb een eigen tuintje, met groenten en bloemen.”

De landrovers bonken door de diepe plassen – tot vreugde van de kinderen. We stappen uit bij een weitje waar vaak herten komen, alleen laten die zich nu niet zien. Ook bij de volgende stop zien we niets, ondanks ingespannen turen door twintig verrekijkers. De teleurstelling is van sommige gezichten af te lezen, maar juist de jongsten houden de moed erin, ondanks de al invallende schemer. Niek: „Ik denk dat het nog wel gaat gebeuren hoor.”

Hij heeft gelijk. Bij de derde stop is het raak. Twee grote everzwijnen doorkruisen een open vlakte. Ze hebben een kleintje tussen zich in. Euforie alom. Janine springt rond alsof ze zelf een hertje is.

De groep komt bij een huisje van Staatsbosbeheer, diep verstopt in het bos. Doodstil moeten we zijn als we er naartoe lopen. Het blijkt een ‘natuurtheater’: één zijde is een enorme glaswand, met uitzicht op een betoverend Disney-achtig weitje, aan alle kanten omringd door bos. Wij kunnen wel naar buiten kijken, maar de dieren niet naar binnen. Het is al bijna donker, maar we zien nog net drie grote everzwijnen vlakbij in het gras, mét kleintjes. Alle kinderen beginnen hardop te tellen. Het blijken er zestien. „Duizenden zwijntjes!” fluistert Janine stralend.

En dan is daar ineens de hoofdprijs. Heel even laten ze zich in vol ornaat aan ons zien: drie reuzen met gigantische geweien. Kreten van verrukking. Binnen tien seconden verdwijnen ze tussen de bomen. Nu stuiteren álle kinderen.

Vogels kijken

Ineens knijpt hij in zijn remmen. Pakt razendsnel de kijker. „Gele kwik.” De rest van de groep stopt ook. „Wat zie je?” „Gele kwik.” „Gele kwik!”, klinkt het opgewonden. Twintig kijkers in slagorde. Een gele kwikstaart zie je tenslotte niet iedere dag.

Alhoewel, als je elke dag met deze jongens op zou trekken misschien wel. Het zijn jongeren op vogelexcursie, een heel vogelzomerkamp zelfs, georganiseerd door de NJN, een natuurvereniging voor jongeren van 11 tot 25. Jongens (en een enkel meisje) fietsen zonder klagen in slagregens over Terschelling, in de hoop bijzondere vogels te spotten. We beuken tegen de wind in, en al is dit weer niet ideaal als je veel hoopt te zien, toch staan her en der op het wad grote groepen vogels.

De fietsen worden in het gras gegooid en er worden hele telescopen op standaards neergezet, om nog beter in te kunnen zoomen. Feilloos weten ze wat het zijn, ook al lijken ze op het eerste gezicht allemaal op elkaar, die drieteenstrandlopers, steenlopers, bonte strandlopers, watersnippen, steltlopers en groenpootruiters. Maar dit zijn dan ook jongeren die van jongs af aan al met de natuur bezig zijn, zo blijkt al snel.

Zoals Gerber (14) uit Everdingen, de kleinste van het stel. De ijsvogel is zijn lievelingsvogel. Gerber groeide op in het groen: achter zijn huis was een weiland en toen hij nog heel jong was ging zijn vader al met hem nestjes zoeken. Spelen in greppels, kikkers vangen. Zijn liefde voor de natuur is altijd gebleven, ook nu hij 14 is. Vogelen is nu zijn grootste hobby, en hij schaamt zich er niet voor. „Sommigen in de klas hebben er ook wel interesse in, sommigen niet. De meesten zitten vaak op de Playstation. Soms doe ik dat ook, bij vriendjes.” Naast hem staat Jeroen (15) uit Utrecht. Hij houdt van planten en fossielen, en van vogels kijken dus. „ Dat je er achteraan moet gaan, en dan is het een kwestie van geluk of je er een ziet.”Ook hij kreeg het vanuit huis mee: zijn vader was altijd veel met natuur bezig, zijn neef was al lid van de NJN. Het valt hem op hoe weinig de meeste leeftijdsgenootjes eigenlijk weten: „Zien ze een meerkoet en zeggen ze: hee, een eend.” Hijzelf is vooral bezig met zijn lijstje: welke soort hij er weer bij kan schrijven. Die lijst is al bijna 200 soorten lang.

Alexander (16) woont in Zuid-Frankrijk en wilde deze zomer naar het waddengebied vanwege de vogels hier. Zijn opa was al vogelaar. „Toen ik klein was nam hij me af en toe één of twee dagen mee. Vanaf mijn dertiende ben ik het zelf gaan doen, met eigen kijker.” Ook Janna uit Wageningen (19), een van de weinige meisjes, groeide op tussen de natuur. „Achter ons huis was een strook bos, ik was altijd buiten aan het spelen. Mijn ouders stimuleerden dat ook: alles beter dan binnenzitten.”

Veel van de jongeren die hier door hun kijker turen blijken een opleiding of studie te volgen voor bos- en natuurbeheer, of zijn dat van plan – hier staan de natuurbeschermers van later. Ruben (24) uit Lochem heeft zelfs al een baan als ecoloog.

„Volgens mij zie ik een morinelplevier”, roept ineens een jongen. Alle kijkers zwenken dezelfde kant op. Ruben helpt hem uit de droom: het blijkt ‘maar’ een goudplevier. „Let op het wenkbrauwstreepje.”