Station Milaan is draaischijf voor Syrische vluchtelingen

Op Milano Centrale passeerden zo veel Syrische vluchtelingen, sinds april zeker 24.000, dat op het station ruimte voor hun opvang is vrijgemaakt.

Kopje van graphic

Als je de trap op loopt van het monumentale treinstation van Milaan, naar de perrons, word je aan de linkerkant verrast door een muur vol kindertekeningen. Een tiental kleuters is op de grond aan het kleuren, met wisselend enthousiasme. Hun moeders, bijna allemaal met hoofddoekjes, zitten op de granieten banken met elkaar te kletsen. Aan de rechterkant, waar de mannen staan en flesjes water en broodjes worden uitgedeeld, hangt een volgekraste landkaart van Europa. Ernaast hangen twee A-4tjes met een handvol Arabische zinnetjes. ´Waar ga je naar toe’ wordt dan, fonetisch uitgeschreven: ‘La win tsafer?’

Milano Centrale is een draaischijf voor de Syrische vluchtelingen die asiel of de vluchtelingenstatus proberen te krijgen elders in Europa. Het is een vaste stop op de route naar het noorden. Die begint in Noord-Afrika, meestal Libië. Dan Zuid-Italië, vooral Catania aan de oostkust van Sicilië, maar sinds de opvangcentra op het eiland vol zijn, ook steden op het vasteland. Al die lijnen komen weer samen in Milaan. En vandaar gaat per trein, auto of soms bus naar de voorlopige eindbestemming. In meer dan de helft van gevallen is dat Duitsland of Zweden.

„Er komen hier zo veel Syrische vluchtelingen, dat we wel iets moesten organiseren om ze hier op te vangen’’, vertelt Gabriela Polifroni. Ze werkt bij de gemeente Milaan en helpt mee bij deze vluchtelingenopvang. In oktober vorig jaar is er op het station mee begonnen, na de ramp bij Lampedusa. Begin dit jaar was het even rustiger. „Maar in april is een ware exodus begonnen. Sinds die tijd hebben we zeker 24.000 Syriërs hier voorbij zien komen.’’ In de zes maanden daarvoor waren dat er 4.000.

Italië is een transit-land voor Syrische vluchtelingen. Bijna zonder uitzondering weigeren deze bootvluchtelingen als ze zijn opgepikt vingerafdrukken te geven of zich anderszins te laten registreren. Anders zouden ze niet meer in een andere lidstaat van de Europese Unie asiel kunnen aanvragen. De Italiaanse overheid weet dat en laat dat gebeuren. De Syrische vluchtelingen geven ook relatief weinig overlast. De meesten hebben geld. Soms zie je ze treinkaartjes kopen met een stapeltje biljetten van honderd euro.

Overal op het station zie je hen lopen of zitten kletsen. In een hoekje zitten Iham, Khaled en Khaldon met nog drie vrienden. Alleen al aan de uitgedeelde kleren herken je hen: veel trainingspakken, soms met een Italiaans logo achterop. Met handen en voeten en een paar woorden Engels vertellen ze over de levensgevaarlijk volle boten waarmee ze zijn gekomen. Khaled toont een filmpje op zijn telefoon van het vertrek uit Libië. Het is onbegrijpelijk hoe die boot überhaupt heeft kunnen wegvaren. Hij heeft geteld en gerekend: 140 mensen op een rubberboot van zestien bij vier meter. „Geluk gehad”, zegt hij. „Italië goede mensen.”

Waar gaan ze naar toe – la win tsafer? Ze moeten lachen om dit steenkolenarabisch. Ze weten het nog niet. Vrienden of familie regelen dat, het wordt niet goed duidelijk. Even verderop vertellen twee vrienden en een echtpaar uit Damascus, alle vier achterin de twintig, dat ze via Tunesië zijn gekomen. „Libië was te gevaarlijk.’’ En nu? „We zijn nog aan het overleggen. Waarschijnlijk Duitsland. Maar hoe is het eigenlijk in Nederland?’’

„We merken dat er allerlei netwerken actief zijn van Syriërs die al in Europa wonen’’, vertelt Carlotta Passerini, een studente psychologie die hier op haar vrije zaterdag komt helpen, als vrijwilliger, zoals de meeste hulpverleners hier. „Ze blijven hier een paar dagen wachten. Dan worden sommige mensen met de auto opgehaald, anderen gaan met de trein verder. Maar ze reizen bijna allemaal in groepen. Het is goed georganiseerd.’’

De ruimte voor de Syrische vluchtelingen is afgezet met gele verkeersscheidingsblokken. Wie deze dag niet meer weg komt, kan ’s avonds gaan slapen in een opvangcentrum dat de gemeente heeft opgezet. „De staat betaalt’’, vertelt Polifroni van de gemeente Milaan. „Eind dit jaar zal de rekening zijn opgelopen naar vijf miljoen euro. Wij hebben dat geld niet. Maar de Syrische vluchtelingen vragen eigenlijk weinig. Ze creëren geen problemen. Dat is heel wat anders dan met de mensen uit Eritrea. Daar hebben we veel meer moeilijkheden mee.’’

Beneden aan de trap kijken twee agenten het allemaal aan. Geen problemen? De jongste haalt zijn schouders op en wijst naar de rolluiken van twee dichte winkels aan de doorgang boven aan de trappen. „Die zijn al sinds het voorjaar dicht. Er werd te veel gestolen.’’ Zijn collega vindt dat hij het in perspectief moet zien. „Als je ziet om hoeveel mensen het gaat, loopt dit eigenlijk heel goed.’’

In een aangrenzende hal zitten twee bootvluchtelingen die al vier maanden in Milaan zijn, Maurice uit Ivoorkust en Mohammed uit Mali. Ze zijn hier voor de gratis wifi. Maurice probeert op zijn telefoon in contact te komen met zijn familie. Mohammed vertelt dat hij door de oorlog daar al een paar weken niets heeft gehoord. Een beetje jaloers op de Syrische vluchtelingen zijn ze wel. „Hier in Italië is geen werk. Maar wij kunnen niet weg. Wij hebben ons wél laten registreren.’’