Quick is kampioen, maar wie weet dat?

Quick uit Den Haag is zaterdag kampioen van Nederland geworden en dat zal menigeen zijn ontgaan. Nog minder sportliefhebbers zullen beseffen dat de dames van het Schiedamse Hermes DVS ruim twee weken geleden de landstitel opeisten. Cricket, het is een sport die de meeste Nederlanders ontgaat. Te ingewikkeld, te elitair, te traag. En dat voor een sport die al in 1845 in Nederland werd beoefend dankzij drie Rotterdamse broers. Op de kostschool Noorthey introduceerden zij cricket. Dit staat in een artikel van de sporthistorici Jan Luitzen en Pascal Delheye, dat morgen online verschijnt in The International Journal of the History of Sport. De broers haakten in op de opvatting van de stichter van de protestantse school, Petrus de Raadt, die lichamelijke inspanning voor zijn leerlingen net zo belangrijk vond als de studies die ze volgden.

Misschien dacht Herman Gorter er ook zo over, de dichter (Mei) die een van de oprichters was van de Sociaal-Democratische Partij (SDP), een voorloper van de communistische CPN. Of anders zijn vriendin Henriette Roland Holst-van der Schalk, de notarisdochter en dichteres met (aanvankelijk) marxistische sympathieën. Zij schreef enthousiast over de „geest van saamhorigheid” die er in een cricketteam heerste, zo noteerden de sporthistorici. Herman Gorter was een van de scholieren die in 1882 in Amsterdam de cricketclub RUN oprichtten, waarin ook Henriette Rolands Holsts latere echtgenoot Richard ‘Rik’ Roland Holst en andere kunstschilders (Louis van Soest en Floris Arntzenius) als jongens actief waren. Zij cricketten in het Vondelpark en later op het nog braakliggende terrein bij het Rijksmuseum dat in 1885 werd voltooid. Cricket in een kunstzinnige omgeving, met communisten en socialisten die bowlden of batten – het leek warempel wel een linkse hobby.

Maar dat was dan maar tijdelijk. Cricket heeft zich in Nederland niet tot een volkssport ontwikkeld. Het werd al gauw overvleugeld door voetbal. The King of Sports – een eretitel waarmee de cricketers hun sport gaarne sieren – telt in Nederland maar weinig onderdanen.

Zo weinig dat voor de toekomst van deze zomersport in dit land soms wordt gevreesd. Het is niet op de laatste plaats aan de allochtone aanwas te danken dat de teruggang niet een ondergang is geworden. Het Amsterdamse Dosti bijvoorbeeld, dit jaar als tweede geëindigd in de hoogste klasse, is in 1978 opgericht door Surinaamse jongens uit het rijstdistrict Nickerie, wier voorouders als Brits-Indische immigranten cricket naar hun nieuwe land meenamen. Later meldden zich, net als bij andere verenigingen, Aziatische immigranten (India, Pakistan) als lid aan.

De autochtone Nederlanders die het cricket beoefenen en/of bekijken, behoren tot een kleine, geciviliseerde minderheid. Tijdens de wedstrijden tonen ze, gezeten op terrassen, soms evenveel interesse in aandelenkoersen als in het scoreverloop. Bij een wedstrijd in de Hoofdklasse (de hoogste afdeling na de Topklasse) tussen historische clubs als Rood en Wit (uit 1881) en Sparta (1888) zaten vorige maand in Haarlem op het drukste tijdstip misschien dertig toeschouwers. Onder wie een trouwe fan van Rood en Wit, die op raadselachtige wijze op de hoogte blijkt van alle uitslagen en tussenstanden van wedstrijden elders en die steeds bereid is deze kennis royaal te delen.

Gemoedelijkheid en beschaving, ze horen bij cricket, al maakte de bond zich deze zomer wel zorgen over sommige uitwassen. „In toenemende mate wordt geconstateerd dat wedstrijden niet altijd een plezierig verloop hebben, waardoor heftige discussies op de cricketvelden kunnen ontstaan, die soms het toelaatbare overschrijden”, zo schreef de KNCB. Te vrezen valt: met gevoel voor understatement.

Misschien is dat wel een pleidooi om de sport dan maar klein en fijn te houden. Hooliganisme? It’s just not cricket!