Op de fiets naar het front in Vietnam

Westerse fotografen bepaalden het beeld van de Vietnam-oorlog. Op het fotofestival van Perpignan is nu de andere kant van het front te zien.

De foto waar hij het meest trots op is? Mai Nam hoeft niet lang te denken en schuifelt naar een vage zwart-witafdruk uit 1966. Een F-105 bommenwerper valt brandend op een rijstveld, ergens halverwege de foto bungelt de piloot onder zijn parachute. „Zie je die bergen op de achtergrond?” glimlacht de 83-jarige Vietnamese fotograaf in gebroken Frans. „Daar woonde mijn familie. Ik had een dagje vrij en was bij hun op bezoek, maar mijn camera had ik gewoon bij de hand.”

Het actiebeeld uit 1966, een ‘lucky shot’ eigenlijk, wijkt opvallend af van veel van de andere meer kunstig gecomponeerde Vietnamfoto’s die sinds vorige week in de Zuid-Franse stad Perpignan hangen. Als verslaggever van het jongerenblad Tiên Phong („de Vietnamese Avant Garde”) fotografeerde Nam vooral jongeren, ook tijdens de oorlog. Met trotse blik verdedigen zij de linies. Ook zijn drie collega’s, met wie hij hier op ‘Visa pour l’image’, het internationale festival voor fotojournalistiek, voor het eerst in het Westen exposeert, tonen vanuit het communistische noorden in de eerste plaats de romantiek van de oorlog.

„Een objectieve blik hadden we natuurlijk niet”, zegt Nam eerlijk. „Wij fotografeerden om de moraal hoog te houden. De mensen die onze foto’s zagen, moesten zich aanmelden voor de strijd. Dat was het doel. Daarom zie je al die tevreden blikken.” Nam fotografeerde, naar eigen zeggen, „de schoonheid” van de oorlog.

Collega Ðoàn Công Tính (71), die tussen 1970 en 1972 actief was, zegt mede daarom „grote bewondering” te hebben voor de westerse collega’s die aan de andere kant van het front wel probeerden onafhankelijk te berichten. „Zij brachten de zinloosheid van de strijd in beeld, waardoor de steun in het Westen afnam. Wij fotografeerden om onze mensen te mobiliseren. Dat was uiteindelijk complementair: de Amerikaanse en de Vietnamese beelden leidden samen tot onze overwinning en een eind aan het vechten.”

De bijzondere foto’s van de Noord-Vietnamese fotografen zijn bij elkaar gebracht door de gelouterde Franse oorlogsfotograaf Patrick Chauvel. Vietnam was een van de eerste grote conflicten waarvan hij verslag deed, vertelt hij op een terrasje in Perpignan, waar afgelopen week voor hun jaarlijkse festival honderden fotojournalisten uit de hele wereld bijeenkwamen.

„Ik was achttien jaar oud en werkte met grote jongens als Larry Burrows en Don McCullin. We reisden mee met de Amerikanen en ik kan me goed herinneren dat we tijdens het zoveelste napalmbombardement tegen elkaar zeiden: ‘Ook dáár op de heuvel die nu brandt moeten fotografen zitten. Hoe kunnen zij zoiets in hemelsnaam overleven?’”

Toen Chauvel vorig jaar op uitnodiging van het Franse culturele instituut terug was in Vietnam, wilde hij eindelijk antwoord op zijn vraag. Het instituut nodigde op zijn verzoek enkele Noord-Vietnamese collega’s uit voor de conferentie waarop hij over zijn oorlogservaringen zou spreken. Zij zaten op de eerste rij toen Chauvel het woord nam. „Ik zag die vier grijze mannetjes zitten en durfde nauwelijks verder te gaan. Dit was altijd mijn oorlog geweest, ik vertelde er mijn hele leven al over”, zegt hij. „ Toen pas besefte ik dat het toch vooral hun oorlog was. Zij hebben gewonnen, niet onze Amerikanen.”

Chauvel zocht de fotografen thuis op en zag hun werk. „Dat was een ongelooflijke ervaring. Hoe was het mogelijk dat we die beelden nooit gezien hadden?” Hoewel ze allemaal met onbetrouwbare Oost-Europese camera’s met standaardlenzen werkten, waren de foto’s voor Chauvel door creatieve gebruik van licht en de bijzondere compositie „van eenzelfde niveau als die van de westerse fotografen die geschiedenis zijn geworden”.

Hij belde met de directeur van Visa pour l’image en beloofde een boek en een tentoonstelling, ‘Ceux du nord’. Eind dit jaar verschijnt ook nog een film waarin de mannen over hun oorlogsjaren aan het woord komen. Vier van de door Chauvel opgesnorde fotografen gaven in Perpignan afgelopen week acte de présence. Allen nog altijd met een camera over de schouder.

„Tijdens de oorlog hing daar meestal een AK47-geweer naast”, lacht Hú’a Kiêm (76). De mannen waren behalve fotograaf tenslotte ook soldaat. De meeste van hen werkten voor het Noord-Vietnamese agentschap AVI, dat in twintig jaar oorlog zo’n 250 fotografen verloor. Kiêm: „Het was soms moeilijk kiezen.”

De verschillen in werkomstandigheden waren enorm. „Terwijl ik me comfortabel met Amerikaanse helikopters liet verplaatsen, gingen zij met de fiets naar het front”, zegt Chauvel. „En na een week in de jungle, had ik na een uur vliegen een koud biertje in de hand en een hoer op mijn knie. Zij stapten weer op de fiets om thuis van de malaria te genezen.”

Toch zijn doden of gewonden op de Vietnamese foto’s nauwelijks te zien. „Dat was niet het beeld dat wij moesten overbrengen”, zegt Kiêm. Propaganda dus. Maar dat maakt Chauvel niet uit. De beelden tonen volgens hem „waarom het noorden gewonnen heeft”. „Je ziet dat iedereen, jong en oud, man en vrouw, de wapens oppakt en vecht voor de natie. Zet dat eens tegenover de beelden van de holle blikken van Amerikaanse mariniers die wij naar huis stuurden. Wij toonden horror, zij de glorie.”