Column

Onverwachte treinontmoetingen

Ik herinnerde me opeens die vakantie waarop mijn vader de hele tijd „Hoe is het mogelijk?” zei nadat we met onze metallic groene Mazda 323 waren gestrand in een haarspeldbocht tussen de Zwitserse dorpjes Wilderwil en Saxeten.

Nadat de gevarendriehoek was neergezet stopte er een auto met een Nederlands kenteken en sleepte precies die ene collega die hij liever niet tegenkwam ons naar onze vakantieboerderij waar mijn vader dus drie weken „Hoe is het mogelijk?” zou zeggen.

De appel zal wel weer niet ver van de boom vallen, maar zelf hield ik niet van onverwachte ontmoetingen in de trein en zeker niet met bekenden.

Hapte je net lekker in je voorverpakte cracker, zat er opeens een oud-klasgenoot naast je te vertellen dat hij zijn kinderen niet meer mocht zien.

Er waren dagen dat ik me verschanste in de stiltecoupé van de eerste klas, zodat ik mezelf dan achteraf in ieder geval niet kon verwijten dat ik er niet alles aan gedaan had.

Afgelopen zaterdag, ik reisde van Enschede naar Amsterdam, was er geen ontkomen aan. Ter hoogte van Almelo banjerden er twee mannen in de rode jacks van NS Reizigerscontrole, de scanners losjes in de hand, mijn coupé binnen.

Ik greep al naar de portemonnee toen een van de twee op de stoel naast de mijne gleed en met zijn gezicht schuin voor het mijne ging hangen.

„Ik zeg hal-lo!”

Ik herkende hem niet meteen, wat gezien de iets te dicht bij elkaar staande ogen best vreemd was, maar toen hij begon met praten kwamen de herinneringen.

Aan dat feest van die tante in Brabant waarop hij mijn zus de zin ‘neef en nicht vrijt licht’ in het oor had gefluisterd, waarvan mijn vader toen het hem ter ore kwam vanwege het leeftijdsverschil een geweldig nummer maakte.

Het tilde dat feest wel naar een ander level.

Er volgde een monoloog die via de begrafenis van mijn vader, die had hij dan gemist, eindigde bij de dartvereniging in Eibergen.

Ik luisterde, maar hoorde niets en verlangde naar station Amersfoort waar ik mocht overstappen.

„Nou, dat was toevallig”, zei ik toen ik opstond.

„Helemaal niet”, was het antwoord.

„De rest vertel ik de volgende keer wel.”

Dat kon qua kansberekening helemaal niet, stelde ik mezelf gerust, maar toen ik de volgende dag op een neer naar Utrecht moest, had ik er toch last van.

Ik had een neef die voor NS Reizigerscontrole werkte, het leven zou nooit meer hetzelfde zijn.