Column

Kwijt

Een van de grotere nadelen van het ouder worden is, behalve doodgaan, dat je voortdurend dingen kwijtraakt. Nauwkeuriger geformuleerd: je verliest ze niet – dat doe je als je nog jong en roekeloos bent – maar je bent vergeten waar je ze hebt opgeborgen. Dit leidt steevast tot chaos en paniek, vooral omdat je de vermissing van zo’n ding doorgaans pas merkt op het moment dat je het dringend nodig hebt.

Zelfbeheersing is dan geboden. Wie zich blindelings op alle hoeken en gaten stort is verloren. Dus toen mijn vrouw op een dag geschrokken meldde dat ze haar identiteitsbewijs niet kon vinden, wist ik wat me te doen stond.

Om te beginnen: niets verwijten, want dat veroorzaakt onvruchtbaar kijk-naar-jezelf-getwist dat de zoektocht alleen maar frustreert. Je kunt beter een efficiënt verhoor afnemen met vragen als: wanneer heb je het voor het laatst gezien, waar was je toen en wat droeg je op die dag? Toen ik alle antwoorden had verzameld, sprak ik de profetische, door ervaring geschraagde woorden: „Het is het meest waarschijnlijk dat je het hier ergens thuis hebt laten liggen.”

„Ik heb alles al drie keer doorzocht”, wierp ze tegen, „ik moet het buiten zijn verloren.” Daarna begon ze systematisch alle adressen af te bellen waar ze de afgelopen dagen was geweest. Restaurants, bioscopen, bakkers, slagers, wasserijen, schoenmakers, dierenwinkels, vrienden, kennissen, er kwam geen einde aan, ik merkte nu pas dat zij een tweede leven leidde waar ik geen notie van had.

Niemand kon haar helpen. De wanhoop groeide. Ze begon voor de vierde maal het huis te doorzoeken. Vergeefs. „Ik zal een nieuw identiteitsbewijs moeten aanvragen”, zei ze ten slotte. „Wacht nog een paar weken”, adviseerde ik wijs.

Een paar dagen bleek al voldoende. Toen stond ze plotseling voor me met een gezicht waarop de verbijstering het nog won van de opluchting. Ze stak me het identiteitsbewijs toe alsof het een zeldzame briljant was. Het had in een portemonneetje gezeten dat ze weinig gebruikte en dat een vakje had dat haar bij eerder onderzoek niet opgevallen was.

„Voortaan altijd op dezelfde plek opbergen”, zei ik nog.

Een verstandig advies dat mij een weldadig gevoel van zelfgenoegzaamheid gaf. Ik kon er enkele dagen op teren, maar niet veel langer, want toen kwam ik tot de ontdekking dat ik zelf zowel mijn identiteitsbewijs als mijn ov-jaarkaart kwijt was. Het was een onbegrijpelijke ervaring die ik zo lang mogelijk verborgen probeerde te houden. Je moet nooit met je nederlagen te koop lopen, het leidt tot prestigeverlies dat nog lang kan naijlen.

Maar al na ruim een dag was ik zo moedeloos dat ik mijn frustratie móést uitschreeuwen. Ik was misschien wel bang dat ik ook nog mezelf zou kwijtraken.

„Rustig”, zei ze, „waar was je en wat heb je gedragen?” „Ik moet ze buiten zijn verloren”, zei ik. Om een of andere reden wil je, als het jezelf overkomt, niet geloven dat het vermiste voorwerp zich vermoedelijk op enkele meters van je vandaan, verscholen op een plank of achter een boek, ligt te verkneukelen om je machteloosheid. Het is net als met moorden: de dader komt meestal uit de omgeving van het slachtoffer.

In mijn geval zaten ze verscholen in een broek die ik in deze tijd van het jaar nooit draag, uitgezonderd kennelijk op die ene dag.

„Voortaan altijd op dezelfde plek opbergen”, zei mijn vrouw.