Het wonderkind van zijn generatie

Binnen een paar jaar stampte eenmansband Ty Segall (27) er een imposant en gevarieerd oeuvre uit. Tijd voor een bloemlezing. We stappen even met zevenmijlslaarzen door zijn uitpuilende platenkast.

Foto Denée Petracek

Wat doe je als je per se wilt optreden, maar de rest van je band niet? Simpel. WRENG! Gewoon zelf spelen. En wat als je niet kunt stoppen met nieuwe liedjes bedenken?

Makkelijk zat. BAM! Alles opnemen en uitbrengen.

Maar als alle kenners en platenbonzen dan roepen dat je juist moet doseren om het publiek hongerig te houden?

Niks van aantrekken. TSIK!

En wat als de stijl van al die nummers wezenlijk verschilt?

Dan breng je gewoon meerdere platen tegelijk uit. AAARGH! AAARGH! AAARGH!

Tenminste… Zo doe je dat als je Ty Segall heet.

Dat begon zo. In Laguna Beach, een strandstadje onder Los Angeles, modderde de kleine Ty wat aan in verschillende schoolbandjes. Maar toen zijn bandleden optredens begonnen af te zeggen, dacht hij: dan doe ik het zelf wel. En dus ragde hij als een soort zittende variant van Nikkelen Nelis/Koperen Ko op een gitaar (WRENG!), trapte met één voet op een basdrum (BAM!), bediende met de andere een hi-hat met een daaraan vastgetapete tamboerijn (TSIK!) en schreeuwde voorovergebukt in een volop echoënde (AAARGH! AAARGH! AAARGH!) microfoon.

En verrek, het werkte! Zijn elementaire eenmansband sloeg aan. En niet in de laatste plaats bij hemzelf. Dat rauwe geluid, daar was hij altijd naar op zoek geweest. Dit klonk precies zoals The Troggs (‘Wild Thing!’) , The Kingsmen en al die andere gammele garagebands uit de zestiger jaren die hij zo bewonderde.

Vanaf toen ging het los. Binnen een paar jaar had hij een imposant en gevarieerd oeuvre bij elkaar gestampt. Meestal maakte hij zo’n drie platen per jaar, in talloze hoedanigheden: solo, met eigen band, met andere bands, of in samenwerkingsprojecten en gelegenheidsformaties. Hoe dat klinkt? Vaak tergend schel en snoeihard. Maar ook mierzoet en boterzacht. Want dat is de truc: Segall mixt het geluid van zijn herrie makende helden van weleer met mierzoete en plakkerige popmelodieën boordevol radiovriendelijke arbeidsvitaminen.

WRENG! BAM! TSIK! AAARGH!

Luister maar eens naar ‘Feel’, van zijn vorige maand verschenen album Manipulator. De soulgroove van die rollende bas aan het begin, komt zo bij Shaft vandaan. Dat potten-en-pannendrumgeluid is geleend van The Stooges, net als de knettergitaren. En die combinatie van bijtende zang en zwoele kopstem, kenden we die niet van David Bowie in zijn beste glamrockjaren? Bovendien moet de beste gitaarsolo van 2014 dan nog komen – op zijn Neil Youngs, zodat je vreest dat alle vingers tussen de snaren verstrikt raken. Des te harder scheurt de technisch perfect uitgevoerde technische imperfectie door merg en been.

De manier waarop genres versmelten doet denken aan de begindagen van Beck, maar dan zonder de samples en quasi-filosofische raps, en met een hoop meer elektriciteit. Daarom, geachte onwetenden, wordt het hoog tijd om het rijke oeuvre te bespreken. Want ook al telt Segall nog maar 27 lentes, van belofte is hij definitief uitgegroeid tot wonderkind van zijn generatie. Dat verdient kortom een bloemlezing, dus laten we even met zevenmijlslaarzen – WRENG! BAM! TSIK! AAARGH! AAARGH! AAARGH! – door zijn uitpuilende platenkast stappen.