‘Het modernisme heeft de luisteraar geen hand toegestoken’

De componist, die vorige week de Amsterdamprijs won, is blij dat prijs de nieuwe muziek „uit het verdomhoekje helpt.”

Componist Willem Jeths Foto Olivier Middendorp

In het uitgaansgebied rond het Leidseplein leidt een deur tussen twee cafés naar een oase van rust. Op de derde verdieping aan de achterzijde is de werkkamer van componist Willem Jeths, die vorige week werd onderscheiden met de Amsterdamprijs voor de Kunst.

Het juryrapport wijst op de precaire situatie van de nieuwe muziek, en daar is Jeths (1959) het helemaal mee eens; juist daarom is het belangrijk dat deze prijs nu naar een componist gaat. „Wij zitten toch een beetje in een verdomhoekje: door de kabinetsbezuinigingen en het dédain jegens kunst werden we weggezet als lui en geldverspillend. Dat moedigt het publiek niet bepaald aan. Anderzijds: het modernisme heeft de luisteraar geen hand toegestoken. Heilige partituren werden aangereikt uit ivoren torens, het publiek was bijzaak. De jongste generatie componisten wil graag communiceren. Zij zoeken de samenwerking met andere disciplines, vanuit de overtuiging dat je samen veel scherper kunt zeggen waar het je eigenlijk om te doen is.”

Jeths juicht die ontwikkeling toe. „Vroeger werd je scheef aangekeken als je een drieklank schreef. Dat is veranderd, maar we zitten wel met een erfenis. Jonge mensen bouwen weer bruggen, maar dat odium van piep-krak-boem is er nog altijd. De ZaterdagMatinee is eigenlijk het laatste bastion dat zich hard maakt voor nieuwe muziek – terwijl diepgang niet ingewikkeld hoeft te zijn.”

In het juryrapport wordt Jeths geroemd om zijn „eigen gezicht in de Nederlandse muziek”. Die eigenheid zit volgens Jeths in zijn – veelgeprezen – kleurgebruik. „Ik heb de neiging te kiezen voor traditionele bezettingen, zoals symfonieorkest of strijkkwartet,” zegt hij, „omdat je binnen die bekende klank nieuw licht kunt werpen op de traditie. Daarom ben ik op zoek gegaan naar nieuwe klankkleuren. En dat, zegt ook het juryrapport, is mijn stempel geworden. Het symfonieorkest werd lang afgedaan als een burgerlijk instituut, maar ik denk dat je in de kleur en klank ervan nog wel degelijk kunt vernieuwen.”

Momenteel vindt in Den Bosch het Internationaal Vocalisten Concours plaats. Jeths schreef het verplichte werk dat door de ruim 90 deelnemers zal worden vertolkt. Directeur Annett Andriessen bood hem de aantrekkelijke mogelijkheid een orkestlied te schijven, waarvan Jeths vervolgens pianotranscripties heeft gemaakt voor alle stemtypen. Op 14 september wordt ook de orkestversie uitgevoerd.

De tekst van Quale coniugium beschrijft het linkerpaneel van Jheronimus Bosch’ Tuin der Lusten. Jeths benadrukt dat het geen gelegenheidswerk is, maar een volwaardig onderdeel van zijn oeuvre. Hij wil op ook de beide andere Bosch-panelen toonzetten, om het drieluik te completeren.

Op het linkerpaneel is tussen Adam en Eva de figuur van Jezus afgebeeld. In de achtergrond staan appelbomen: een omineus voorteken. „Ik heb geprobeerd die dubbelheid uit te drukken,” zegt Jeths. „Alles is goed, maar je weet dat het weldra mis zal gaan. Daarvoor heb ik een techniek van Schubert ingezet, de ‘Moll-Dur-Trübung’, oftewel het gelijktijdige gebruik van majeur en mineur.”

Jeths speelt een daverend pianoakkoord met twee tertsen. „Zo begint het. We zijn nu nog in het paradijs, maar we zullen worden verdreven.”