Fluitenwalhalla

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Als kind was het een zeldzaam feest om de muziekhandel in de grote stad te bezoeken. In de ruime zaak stonden de instrumenten uitgestald als een symfonieorkest waarvan de muzikanten waren verdwenen: de warme kleuren van de cello’s en violen, het glanzende koper van de tuba’s en trompetten, de vervaarlijk ogende mechanieken van de fagotten en basklarinetten, het ratjetoe aan slagwerk, en natuurlijk mijn absolute favoriet: de dwarsfluiten. In een glazen vitrine lag het prachtige zilverwerk uitgestald.

Na jaren verwaarlozing is mijn fluit nu hard toe aan revisie en alle adviezen leiden naar één adres, volgens iedere expert het walhalla van de dwarsfluit, het Flute Center of New York. Iedere denkbare fluit is hier beschikbaar.

Dus ga ik met een overdosis aan gespannen verwachting naar de stad. Dit moet de overtreffende trap van mijn jeugdervaring worden. In mijn verbeelding zie ik een showroom van gigantisch formaat waar de fluiten als raceauto’s liggen de twinkelen.

De zaak ligt om de hoek van Lincoln Center, maar ik kan geen etalage vinden. Ik word naar de twaalfde verdieping van een anoniem flatgebouw gestuurd. Daar loop ik door een beetje viezige gang, waar naast een psychiater en een diëtist een bordje Flute Center hangt.

Omdat mijn klop niet gehoord wordt, draai ik de deur open. Een kakofonie van geluiden komt op me af. Even ben ik overdonderd: overal in de kleine ruimte staan en liggen dwarsfluiten, in zilver, goud, platina en alle mogelijke legeringen. De muren zijn beplakt met posters van beroemde fluitisten. Administratie, werkplaats, wachtkamer, archief en warenhuis zijn allemaal in enkele vierkante meters gepropt. Een aantal fluitgroupies is in een heftige discussie verwikkeld.

Dan ontdek ik een iele man, onverstoorbaar aan het werk achter een tafel vol onderdelen. Hij heeft zijn eigen muziek zacht aanstaan. Fluitmuziek, vanzelfsprekend. Uiterst geconcentreerd is hij met een miniatuur schroevendraaier in de weer. Ik durf hem niet aan te spreken, uit angst dat hij uitschiet.

Een meisje komt achter een deur vandaan. Of ze me helpen kan? Ik haal mijn fluit uit zijn doos.

„Kijk eens aan”, zegt de man, plotseling alert, „geen slechte studiefluit. Maar ik zal je eens wat moois laten zien.” Hij loopt naar de stellingkast met een ogenschijnlijk chaotische stapel fluiten en opent een doos. Een brokaat versierd gouden exemplaar waarvan het kleppenwerk is vormgegeven als bladeren en lianen. „Kijk, die gaat binnenkort naar het Metropolitan Museum of Art.”

„En dan deze.” Hij haalt een zilveren fluit uit de doos, zet hem in elkaar en plaatst hem met een ferm gebaar op een stok. Net als ik hem wil gaan uitproberen, zegt hij: „Wacht, eerst dit even zien.” Hij zoekt op zijn mobiel een filmpje. Daar speelt Sir James Galway, Jimmy voor hem, een passage op deze fluit. Na een lang applaus legt Galway uit hoe fantastisch dit instrument is. „Helemaal wat voor jou”, zegt de man.

„Liever niet”, zeg ik. „Ik ben een volstrekte amateur.” Deze fluit zelfs maar aan te raken, voelt als heiligschennis. Ik ben nog niet helemaal toe aan het walhalla.

Nadat ik mijn fluit heb afgegeven, drukt hij mij nog even snel een vervangfluit in de hand, om de komende weken door te komen.

Terug in de trein open ik de doos. Mijn hart staat stil. In het paarse fluweel ligt een spiksplinternieuwe roodgouden fluit te sprankelen. Ik kijk naar het prijskaartje. Ik heb een raceauto op mijn schoot liggen.