Eten van vette vis verlaagt kans ALS met 35 procent

De kans op de ziekte ALS is lager bij mensen die vette vis eten. Toch zit de ziekte vaker dan gedacht in de genen.

Mensen die regelmatig vette vis, of ander voedsel met omega-3-vetzuren eten, verlagen hun kans op de ziekte ALS met ongeveer 35 procent. Dat blijkt uit jarenlang durend Amerikaanse onderzoek naar eetgewoonten en latere ziekte waarvan het resultaat gisteren is gepubliceerd in JAMA Neurology.

Deze uitkomst steunt eerdere aanwijzingen dat omega-3-vetzuren, zoals linoleenzuur, in vette vis, noten, raapzaad- en lijnzaadolie de kans op ALS verkleinen. Vorig jaar was daarover twijfel gerezen omdat bij muizen die een soort ALS kunnen krijgen was gezien dat die omega-3-vetzuren de kans op ALS juist verhogen. Uit het nu gepubliceerde onderzoek blijkt dat omega-6-vetzuren (linolzuur bijvoorbeeld) de kans op ALS niet merkbaar beïnvloeden.

Dit onderzoek laat zien hoe weinig er bekend is over het ontstaan van ALS. En hoe vaak de ideeën daarover nog in hun tegendeel omslaan. Dat gebeurde onlangs nog met het idee dat intensief sporten de kans op ALS verhoogt. Dat leek in 2010 uit proefonderzoek te rollen. Maar in mei van dit jaar publiceerden de onderzoekers hun grote onderzoek met als glasharde conclusie: „Sporten verhoogt niet de kans op ALS en beschermt misschien tegen de ziekte.”

Bij ALS vallen de zenuwen die spieren aansturen langzaam maar zeker uit. Wat er precies fout gaat in die motorische zenuwen in de hersenen en het ruggemerg is onbekend. Een medicijn is er niet. Vier op de vijf patiënten sterven binnen vijf jaar na de diagnose. Eén op de 20 leeft nog jarenlang met de ziekte. De beroemdste lang overlevende patiënt is ongetwijfeld de Britse natuurkundige Stephen Hawking.

In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 500 mensen te horen dat ze ALS hebben. De kans om ooit ALS te krijgen is dus niet erg groot. Een reductie van die kleine kans met ongeveer 35 procent, door het eten van vette vis en andere omega-3-rijke voedingsmiddelen zal voor de meeste mensen niet direct een reden zijn om aan omega-3-vetzuren te denken. Die zijn overigens ook goed voor hersenen en hart.

Dat ligt misschien anders voor mensen met ALS in de familie. Of als in de toekomst een genetische test op de aanleg voor ALS mogelijk is. ALS heeft bij één op de vijf patiënten, veel vaker dan tot nu toe gedacht, een genetische oorsprong. Dat staat in een ander, ook gisteren verschenen artikel in JAMA Neurology.

De genetische aanleg voor ALS zit echter niet in één aangetast gen, zoals bijvoorbeeld bij spierdystrofie of erfelijke borstkanker door BRCA-genen. ALS, is nu het idee, heeft een genetische oorzaak als bepaalde genmutaties – of vaker voorkomende genvarianten – in bepaalde combinaties voorkomen. Onderzoekers van het Amerikaanse National Institute on Ageing in Bethesda lieten die polygenetische aanleg voor ALS zien met een nieuwe methode van genanalyse. Die combinaties kunnen binnen families sterk variëren. En zo kan iemand zijn ziekte dus door erfelijke ooraak krijgen, zonder dat die ziekte eerder in de familie gezien is. Het blijft dus zo dat maar 2 tot 6 procent van de ALS-patiënten een bloedverwant kent die ALS heeft, of eraan is overleden.

Genen konden de onderzoekers nog niet aanwijzen – alleen gebieden op de chromosomen. De genen moeten nog gevonden worden. De opbrengst van alle Ice Bucket Challenges, waarbij mensen een emmer ijswater over hun hoofd omkeerden om aandacht voor ALS te vragen, kan daar makkelijk aan worden besteed.