En toch niet wanhopig teruggekeerd uit Liberia

Karline Kleijer is net terug uit Liberia, ebolagebied. Ze werkt er voor Artsen zonder Grenzen. De zorg is er ingestort, de vooruitzichten zijn slecht. Het gaat in eerste instantie niet om bedden, maar om discipline.

Een zorgwerker in volledige bescherming poseert met een vrouw in Monrovia. Ze staan in hoogrisicogebied bij het Elwa-ziekenhuis, gerund door Artsen zonder Grenzen. Foto AFP / Dominique Faget

Uit de Liberiaanse Daily Observer van vorige week: zeker vijftien boze jongeren uit Schieffelin Town, een buitenwijk van de hoofdstad Monrovia, hebben het lijk van een overleden ebolapatiënt opgegraven en uit protest op de snelweg naar het vliegveld gelegd. De overledene was de moeder van een officier die haar stiekem op een open plek bij een woonwijk had laten begraven. Ook in de krant: parlementariërs die zich sinds de uitbraak van de ebola-epidemie niet meer hebben laten zien, wordt opgedragen naar het parlement te komen.

Recalcitrante overheidsdienaren en onbekwame politici dragen hun steentje bij aan de snelle verspreiding van het dodelijke ebolavirus in Liberia. Daar zijn nu al meer dan 1.000 doden geteld, bijna de helft van alle slachtoffers in West-Afrika. Maar ook een groot gebrek aan mankracht en middelen verhindert tot dusver effectieve bestrijding van de epidemie.

Karline Kleijer, manager noodhulp bij Artsen zonder Grenzen (AzG), tekent een curve op een stuk papier. Ze zet een kruis op een punt waar de lijn steil omhoog begint te lopen, alvorens om te buigen. „Hier staan we”, zegt ze. „Uiteindelijk zal de epidemie wel weer afzwakken. Maar dan zijn we maanden verder. Voor die tijd zullen er duizenden patiënten bijkomen. Dat is een heel zorgelijk perspectief.”

Kleijer (39) weet precies hoe ellendig die curve er in werkelijkheid uitziet. Ze is net terug uit Liberia, waar ze elf dagen heeft gewerkt in de ebolakliniek van AzG in Monrovia. Met op dit moment 200 bedden is het verreweg de grootste kliniek in de stad. Maar nog steeds lang niet groot genoeg. Dagelijks worden er zieke mensen bij de poort weggestuurd omdat er niet genoeg plek is om hen op te vangen.

Elke ochtend telde Kleijer de lichamen van de patiënten die ’s nachts waren overleden. Soms waren het er wel dertig of meer in een etmaal. Ze leerde het personeel strenge veiligheidsmaatregelen in acht te nemen, want juist de lichamen van net overleden patiënten herbergen een zeer groot besmettingsgevaar.

Kleijer hielp zelf mee de in plastic verpakte lijken naar het lokale crematorium te vervoeren, zo’n twaalf kilometer verderop. Daar werden de lichamen op een houtstapel gelegd en verbrand. Binnenkort komt er professionele verbrandingsapparatuur.

Ze praat er nuchter over. „Ik wilde het zelf ervaren”, zegt ze. „Als je iets van andere mensen vraagt, moet je het zelf ook hebben gedaan.”

Maar onbewogen is ze niet. Ze legt uit dat niet alleen ebolapatiënten worden weggestuurd, maar ook bijvoorbeeld vrouwen die met een keizersnede moeten bevallen of malariapatiënten. Die kunnen niet worden geholpen in een ebolakliniek, maar ergens anders kunnen ze ook niet terecht. Veel gewone klinieken zijn dicht, in Liberia zijn geen chirurgen meer die opereren. In Monrovia zijn er misschien nog dertig bedden voor niet-ebolapatiënten, op een bevolking van 1,2 miljoen mensen. „De gezondheidszorg is volledig ingestort”, zegt Kleijer.

Doodziek zoontje

Ze noemt het voorbeeld van de moeder en haar doodzieke zoontje van een jaar of zeven, acht, dat malaria had en over zijn hele lichaam trilde. Zijn broer legde hem in het gras. Maar de doktoren van de ebolakliniek konden hem niet opnemen. Daar zou hij zeker sterven. Het enige wat Kleijer kon doen, was een ambulancechauffeur overhalen om hem mee te nemen naar een andere plek om hem te behandelen. Maar of er zo’n andere plek was, wist ze ook niet. „Ik weet niet hoe het met hem is afgelopen”, zegt ze. „Ik kan er wel van slapen, maar ik heb wel eventjes moeten huilen.”

Twee keer werd Kleijer uitgeloot voor de studie medicijnen. Daarom ging ze naar de Hogere Zeevaartschool op Terschelling en voer ze drie jaar op zee als machinist op een schip, uitgerust voor het transport van zware ladingen. Boorplatformen, baggerinstallaties en dat soort dingen. Tussen een kroeg in Vietnam of op de Filippijnen zijn niet zo heel veel verschillen, zegt ze. Maar als je een jaar als hulpverlener in Zuid-Soedan werkt, dring je diep door in de samenleving en leer je de lokale cultuur kennen. Daarom heeft Kleijer er absoluut geen spijt van dat ze dertien jaar geleden de overstap maakte naar AzG. Vorig jaar werkte ze in Irak en Syrië, afgelopen voorjaar nog in de door geweld geteisterde Centraal-Afrikaanse Republiek.

Bang om af te reizen naar het door ebola getroffen West-Afrika was ze niet. „Beroepsmatig is het interessant om iets nieuws te leren”, zegt ze. „AzG hanteert zeer strenge veiligheidsprotocollen. Ik ben liever vier maanden in een ebolakliniek dan op dit moment een maand in Noord-Syrië. Hier heb je meer controle over je eigen veiligheid.”

Geen infuus meer

Het gaat niet zozeer om het aanslepen van meer bedden, maar in de eerste plaats om het bewaren van de discipline. Dat vergt training van lokale verpleegkundigen. Toen de kliniek vorige maand net open was gegaan, werden drie gebruikte naalden op de grond gevonden. In een ebolakliniek is dat letterlijk een doodzonde. Daarom worden nu geen naalden meer gebruikt. Dat betekent dat patiënten geen infuus meer kunnen krijgen.

Het tekent het dilemma waarvoor de hulpverleners staan. Kleijer zegt dat ze niet wanhopig is geworden door haar ervaringen. „Ik was er om te leren en te luisteren.”. AzG probeert de komende tijd de capaciteit in Monrovia te verdubbelen naar 400 bedden. En Kleijer ziet zichzelf nog wel een keer afreizen naar een ebolagebied, maar dan in Sierra Leone.

Het ebolavirus is ook een terroristisch gevaar, schrijft Louise O. Fresco. Of valt dat, zoals Menno Steketee beweert, wel mee? Zie pagina 18