Een flatscreen in de berm

Je kunt er schande van spreken of er zelf wat aan doen. Daarom verzamelt Herbert Blankesteijn op zijn dagelijkse wandeling alle troep die hij tegenkomt.

Het zwerfvuil per dag en verzameld over twee tot vier kilometer: donderdag 28 augustus

Een avondwandeling langs vredige plattelandsweggetjes zou een plezierige, rustgevende ervaring moeten zijn. In mijn geval is zo’n uitstapje meestal een bron van gemengde gevoelens. Dat komt door het zwerfvuil. Vanuit de auto merk je er niet veel van. Je kijkt naar de horizon en door je snelheid is de berm toch al een groene waas. Als wandelaar – mijn vrouw en ik lopen elke dag een paar kilometer – leg je zelden honderd meter af zonder bierblikje, chipszak of sigarettenpakje tegen te komen. De fabrikanten hebben hun producten zo gekleurd dat ze eruit knallen tussen het groen. Alsof de berm ze een prima advertentiemedium leek. Je kunt je erover opwinden en ‘schande!’ roepen in een ingezonden brief, of er gewoon wat aan doen. Sinds kort neem ik op onze wandelingen een zak of tas mee en de tang van de openhaardset, en ik raap alles op wat niet langs de weg hoort.

De opbrengst grenst aan het ongelooflijke. Een normale pedaalemmerzak is niet groot genoeg voor de oogst van vier kilometer. Blikjes dus en plastic flessen, wegwerpbekertjes, verpakkingen van snoep en meeneemmaaltijden, halfvergane stukken papier en kleding, auto-onderdelen, handschoenen, condooms, niets is te dol. Blikjes zijn soms zo platgereden dat ik ze met mijn nagels van de straat moet pulken. Wegwerpbekers vind ik aan reepjes gesneden door de machine die de berm heeft gemaaid.

Tussen haar dij en de mijne

Mijn vrouw is sceptisch over mijn nieuwe hobby en ik begrijp dat. Mijn afvalzak stuitert tijdens het wandelen heen en weer tussen haar dij en de mijne en laat niet zelden een spoor achter van onwelriekende druppels. Ze vindt dat onze kliko te snel vol is, en vraagt zich af of de gemeente dit niet kan opknappen. Maar ja, wij lopen er toch. En je kunt moeilijk volhouden dat al die troep in de natuur meer thuishoort dan in onze vuilnisbak.

Een enkele keer heb ik de gemeente om hulp gevraagd. Bijvoorbeeld in het geval van een complete autoband, en voor een dikke plastic zak waarvan de inhoud een lijkenlucht verspreidde. En ook toen we een complete flatscreentelevisie in de bosjes zagen liggen. Toen de zwerfvuilambtenaar de volgende dag langskwam, was dat toestel trouwens alweer verdwenen. De meest exotische vondst vind ik trouwens het blikje bier dat nog ongeopend was, samen met dat ene statiegeldflesje te midden van honderden items die bedoeld waren om te worden weggegooid.

Held en schlemiel

Zelf voel ik me held en schlemiel tegelijk. Ik dóe tenminste iets, en eens in de zoveel tijd incasseer ik een opgestoken duim van een fietser of automobilist (die zelf natuurlijk denkt: hij liever dan ik). Tegelijkertijd ben ik een loser omdat ik de uitwerpselen opruim van de hufters uit onze regio – precies het punt dat mijn vrouw ook maakt.

Wie zijn dat dan, de mensen die blijkbaar zonder gewetensbezwaren hun eigen nest bevuilen? Ik weet het niet. Ze drinken, vreten en roken, zoveel is zeker. Een deel doet dat achter het stuur. Maar als het gaat om chips, snoep en limonade verdenken wij ook fietsende scholieren. Kort geleden stond ik met een bonnetje van een tankstation in mijn hand, afkomstig uit een ware miniatuurstortplaats. Het papiertje vermeldde een locatie, een product (een prepaidkaart) en een tijdstip. En ik realiseerde me: dit is terug te voeren tot een individu, als de politie en de bank even meewerken. Een wakkere telefonist bij de gemeente bracht me bij zinnen. Dit is geen zware criminaliteit en de politie heeft wel wat beters te doen, bovendien is het gemakkelijk om te ontkennen. Over die sigarettenpeuk met zonder twijfel een rijkdom aan DNA-sporen ben ik niet meer begonnen.

In een greppel met uitzicht

Het zal dus een heterdaadje moeten worden. Op een dag doe ik het: ik ga liggen in een greppel met uitzicht op een paar honderd meter landweg, telelens in de aanslag. Mijn vrouw zal me broodjes en koffie brengen, dat weet ik zeker. De nieuwe natuurfotografie! Misschien bedenk ik wel een zwerfvuilflitspaal.

Tot die dag, en misschien wel langer, haal ik vuilnis uit de bermen. Er is altijd genoeg. Niet alleen wordt er elke dag bijgemikt, er is ook al een onuitputtelijke voorraad aanwezig. Als ik achteromkijk naar waar ik ben geweest, zie ik vaak dingen liggen die ik heb gemist door begroeiing, licht en schaduw. Als er gemaaid is, of als in het najaar de planten afsterven, worden nieuwe lagen blootgelegd. De meeste greppels zijn nog onontgonnen terrein.

Ergernis over het zwerfvuil dat er ligt, wordt blijdschap om het afval waar je mee thuiskomt. Wéér meer dan vorige keer! Mijn volgende persoonlijke record zal ik vieren met dat ene ongeopende blikje bier.