Toronto 2014: In de rij met Liev Schreiber en Spiderman

Acteur Liev Schreiber vorige maand bij de uitreiking van de Emmy Awards in Los Angeles. Foto Reuters / Lucy Nicholson

“I’m with the film maker”, hoor ik op gedempte toon achter me. Het is zaterdagavond kwart voor zeven en er staat een rij die twee keer de hoek om gaat voor de wereldpremière van While We Were Young, de nieuwe film van Noah Baumbach. Ben Stiller, Naomi Watts, Adam Driver en Amanda Seyfried zijn net naar binnen gegaan, aan het gegil bij de rode loper te horen. De film moet over een kwartier beginnen en wij staan nog in de rij. “Ik hoor bij de regisseur.” Ja, ja. Dat zal wel. Dat is ongeveer het slechtste smoesje uit het boek.

Elk festivals kent zijn klaplopers, insluipers, bietsers en bluffers. Vakbladen als The Hollywood Reporter publiceren niet alleen recensies van de films, maar ook van de feestjes. Sterrenspotters staan niet alleen naast de rode loper, of netjes achter een dranghek bij de ingang van de dure hotels, maar ook bij clubs en hippe rooftops bars om een glimpje van hun idolen op te vangen, en sommigen gaan daarbij best ver. Ook die sterke verhalen zijn bij alle festivals wel een keer te horen. Over die keer dat ze met Dustin Hoffmann aan de bar stonden of met Johnny Knoxville tegenkwamen in een stripclub (naar verluidt een beroemde Toronto-anekdote).

“Welke regisseur?”, vraagt een van de in oranje geklede vrijwilligers van het Toronto International Film Festival (TIFF) netjes. Er zijn er wel 2800, volgens een trailertje wat voor elke officiële vertoning wordt gedraaid. Ze zorgen ervoor dat alles ordelijk, rustig en vooral vriendelijk verloopt. TIFF mag dan wel een van de meest overladen, en vooral lastigst te plannen festivals ter wereld zijn, het helpt wel dat er in al die stress niet ook nog eens bijna-vechtpartijen ontstaan zoals in Cannes en zelfs Berlijn nog wel eens het geval is bij heel populaire films. Het is kwart voor, maar een kwartier later zijn alle 2000 bezoekers binnen.

Ik draai me om om te kijken hoe dit af gaat lopen en kijk recht in het gezicht van acteur Liev Schreiber die ik de dag daarvoor nog meer dan levensgroot heb kunnen aanschouwen als de Russische schaakkampioen Boris Spassky in Pawn Sacrifice, een film over Bobby Fischer, de man die Spassky versloeg. ”Bij Noah, we horen bij Noah”, zegt Schreiber nog steeds een beetje zacht. En die ‘we’ dat zijn hij en iemand wiens achterhoofd ik alleen kan zien, want die staat een beetje naar de muur te staren.

Op het moment dat híj zijn gezicht naar de vrijwilliger draait is het snel gedaan. Er wordt een andere vrijwilliger bijgehaald en dan iemand met een headset en iemand met een portofoon. Ze worden naar hun kaartjes gevraagd, die ze niet blijken te hebben, maar ze hebben wel een TIFF-badge om hun nek zodat ze zich als gasten van het festival kunnen identificeren. En dan worden ze naar binnen geloodst om “het daar verder te regelen.”

Ik vraag me af hoe het gegaan is. Of Noah Baumbach Liev Schreiber in de lift was tegengekomen en zei: “Hee man, kom je vanavond naar m’n film?” En dat hij toen geen kaartje had, en dat Hollywoodmensen misschien wel zo wereldvreemd zijn geworden dat ze denken dat dat niet nodig is. Maar eigenlijk denk ik dat Liev Schreiber gewoon een beetje aan het partycrashen was. En geluk had dat hij Liev Schreiber was.

En dat hij iemand bij zich had die ik vanmiddag pas herkende toen ik wachtend op de groepsinterviews voor Pawn Sacrifice alweer een tijdje tegen het achterhoofd van de initiatiefnemer, producent en hoofdrolspeler zat aan te kijken. Tobey Maguire. Stond ik toch maar mooi even met Spiderman in de rij.

Dana Linssen is filmredacteur en voor NRC in Toronto.