Sterke nominaties voor The Vincent

Vincent-genomineerde Anri Sala uit Albanië toont de videoprojectieLe Clash . Foto Daniel Nicolas

Het lukt maar niet om van The Vincent Award een instituut te maken als, zeg, de Turner Prize. Aan het prijzengeld van de tweejaarlijkse prijs voor Europese kunstenaars ligt het niet, dat is met 50.000 euro ongeveer even veel als de 40.000 Britse pond die de Turner-winnaar krijgt. Voor de eerdere winnaars hoeft The Vincent zich evenmin te schamen – Eija-Liisa Ahtila, Pawel Althamer, Neo Rauch en Wilhelm Sasnal behoren stuk voor stuk tot de top van de internationale kunstwereld.

Dat de Vincent niet zo’n sterk merk is als de Turner, heeft vooral te maken met de discontinuïteit van de prijs. De eerste edities werden vanaf 2000 in het Bonnefantenmuseum gehouden, waarna de organiserende Broere Foundation The Vincent en de bijbehorende Monique Zajfen Collection in 2006 verhuisden naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. Maar na de twee edities liep ook de relatie tussen het Stedelijk en de Broere Foundation stuk. De prijsuitreikingen van 2010 en 2012 gingen vervolgens niet door.

Dit jaar beleeft The Vincent een doorstart in het Gemeentemuseum Den Haag, dat alle ruimtes van het GEM ter beschikking heeft gesteld. Het spelersveld is opnieuw sterk, met Pierre Huyghe, Manfred Pernice, Willem de Rooij, Anri Sala en Gillian Wearing als de vijf genomineerden. Samen maakten zij een prettige expositie met bestaand en nieuw werk, die steeds sterker wordt naarmate je verder in het parcours komt.

De Duitser Manfred Pernice (1963) bouwde een podium met daarop een verzameling zelfgebouwde retrofuturistische meubels – curieus en onpraktisch, maar knap in elkaar getimmerd. In de zaal ernaast toont de Franse kunstenaar Pierre Huyghe (1962) A Way in Untilled, een film die hij eerder dit jaar al liet zien op zijn overzicht in Centre Pompidou. De beelden maakte hij tijdens de Documenta, waar hij in 2012 een surrealistische sprookjeswereld had gecreëerd in het stadspark van Kassel. ’s Nachts, zo laat deze natuurdocumentaire zien, komt die stadsjungle tot leven en scharrelen de muizen rond Huyghes sculpturen.

Anri Sala (1974) uit Albanië heeft drie bestaande werken samengevoegd tot een mooie zaalvullende video-installatie. Rode draad is het nummer Should I Stay or Should I Go van The Clash, dat door de bejaarde inwoners van modernistische wijken in Mexico en Albanië tergend traag wordt afgespeeld op een draaiorgel. De punksong is een lieflijk deuntje geworden. De oude dametjes hebben er zichtbaar schik in. Maar wat is er van hun idealen terechtgekomen? Zijn die net zo verwaterd als de harde noten van The Clash?

De sterkste bijdragen bevinden zich op de benedenverdieping van het GEM, waar de Britse Gillian Wearing (1963) een minitentoonstelling heeft gemaakt, met drie fantastische zelfportretten en een emotionele video, Bully. In beide gevallen gaat het om rollenspellen. Op de foto’s vermomde Wearing zich als haar overleden helden Diane Arbus en Robert Mapplethorpe. In de film speelt een jongen die vroeger is gepest met acteurs de heftigste scènes uit zijn jeugd na.

De Nederlander Willem de Rooij (1969) verrast met een nieuw werk, een aangrijpende geluidsinstallatie over heimwee en ontheemding. Eerst luister je minutenlang in het duister naar het gejank van sledehonden op Groenland, de plek waar De Rooij ooit met zijn overleden partner Jeroen de Rijke werkte. Daarna floept een spot aan en word je naar Mondriaans schilderij Vuurtoren bij Westkapelle getrokken – als een schip op zee dat naar de haven wordt gelokt. Zoals vaak bij De Rooij zit het werk vol kunsthistorische verwijzingen: naar Bas Jan Ader die bij de toren in Westkapelle werkte en later vermist raakte op zee. Naar De Rijke, die uit Westkapelle afkomstig was. En natuurlijk naar Mondriaan, die na het schilderen van dit doek Nederland voorgoed verliet.