Column

De bromance tussen Diederik en Anton

Het schijnt dat er mensen zijn die Diederik Stapel de doodstraf gunnen, omdat hij cijfers heeft bedacht en onderzoeksrapporten verzon alsof het romans waren. Het schijnt dat er mensen zijn die schrijver Anton Dautzenberg eigenhandig een kopje kleiner willen maken, omdat hij – hater van welke heksenjacht ook – lid werd van pedofielenvereniging Martijn. Samen publiceerden zij De Fictiefabriek, 400 pagina’s aan brieven, die ze in een jaar tijd aan elkaar stuurden. Het boek stelt de vraag waarom de ene waarheid meer waarde heeft dan de andere. Een wetenschapper formuleert een vraag en een methode, maakt die tot waarheid, omdat andere onderzoekers ermee instemmen. Zo is autoriteit een kwestie van kwantiteit en gewoonte.

In de journalistiek lijkt de objectiviteitswaan inmiddels wel doorgeprikt en wordt er gezocht naar nieuwe vormen om niet langer te doen alsof de aanwezigheid van een journalist geen invloed heeft op het beschreven gebeurde, de bevraagde persoon, het gefilmde conflict.

Zou de wetenschap ook zo’n slag kunnen maken? Noemen we het burgerwetenschap. Citizen Science. De publicatiedruk? Twintig tweets per dag.

Op 8 april 2013 om 15.45 uur stuurde Diederik een nogal radeloze kennismakingsmail aan Anton: „We staan op de rand van de maatschappij, Anton. Wij zijn randverschijnselen.”

Uiteraard is het maar de vraag of er wel zoiets als ‘centrummensen’ versus ‘randmensen’ bestaat.

Niet voor niets bekritiseert Anton in één van zijn brieven het gebruik van het woord ‘men’. Een woord dat, aldus Diederik, ‘natuurlijk ideaal’ is voor psychologen en gedragswetenschappers. ‘Men’ is niet alleen een gemakzuchtige veralgemenisering. Men is ook een ontkenning. Men zegt namelijk nooit: ‘Ik ben Men’. Men zegt: ‘Ik ben anders dan Men’.

Het moedwillig innemen van een randpositie is misplaatste arrogantie. Wie namelijk denkt dat anderen er wel bij horen is een goed observator van sociale situaties, maar leeft zich slecht in.

Men is net zo anders als jij.

Anton en Diederik leerden elkaar steeds beter kennen. Al gauw werden hun mailtjes afgesloten met x-jes. Er is een heuse bromance ontstaan, samen vormen ze Stapelberg. In die verbroedering wordt maar bewezen dat een harde rand niet bestaat. Er is gezelschap. Je kunt in de paria-kast gaan zitten, maar het is beter om eruit te komen. De auteurs droegen hun boek bovendien op aan Marcelle en Maartje, hun vrouwen, soulmates, bakens.

Zonder geloof en vertrouwen kunnen leugens niet eens bestaan. Zoiets formuleerde Immanuel Kant al met zijn categorisch imperatief. Ik voegde die name drop aan mijn tekst toe en bedacht pas later: die is nergens voor nodig, dat doe ik om aan geloofwaardigheid te winnen. De Fictiefabriek is een spiegelpaleis.