Column

Kwetsbaarheid

Na de overweldigende media-aandacht voor de tentoonstelling van Marlene Dumas durfde ik zaterdag nauwelijks meer naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. De avond tevoren waren er nog twee tv-programma’s – College Tour en Nieuwsuur – aan haar gewijd. Nieuwsuur liet zien dat er 2.000 genodigden bij de officiële opening aanwezig waren. Ook voor de daaropvolgende dagen werd een vloed van bezoekers verwacht.

Hoe lang moest je wel niet in de rij staan? Het bleek een overbodige vraag. Er was geen rij, ik kon zó doorlopen, het leek alsof er niets bijzonders in het Stedelijk te zien was. Ook binnen, in de zalen, bleef het aangenaam rustig. Zondagmiddag ging ik er opnieuw even langs: hetzelfde beeld.

Misschien scheen de zon te gul. Laten we het hopen, want het is ook mogelijk dat sommige aspecten van de kunst van Marlene Dumas het grote publiek afstoten. Dat schoot even door me heen toen ik een oudere bezoekster hoorde zeggen: „Het is beter dan ik had verwacht.” Kennelijk had die mevrouw zich op het ergste ingesteld.

Het zou jammer zijn als de overvloedige publiciteit in dit geval juist een averechts effect heeft, want The Image as Burden is wel degelijk een indrukwekkende tentoonstelling van een gedreven, begaafde kunstenares. In elke zaal hingen minstens vijf doeken die me aan de grond nagelden. Schitterende portretten (bijvoorbeeld van haar grootmoeder, Pasolini, de dichteres Elisabeth Eybers, Amy Winehouse), aangrijpende schilderijen als The Widow (de rouwende weduwe van Loemoemba), de morsige, triestige naakten.

Het werk van Dumas lijkt hard, maar het gaat vooral over kwetsbaarheid. Wie alleen getroffen wordt door die hardheid, gaat onbevredigd weg. Bij de uitgang zat ik naast een vrouw die me plotseling vroeg: „Hoe vond u het?” „Mooi”, zei ik. „Ik vond het lijkenpikkerij”, zei ze. „Al die schilderijen van dooie mensen. Als ik familie van Marilyn Monroe was, zou ik Dumas aanklagen.”

Ze doelde op het schilderij Dead Marilyn, gebaseerd op een autopsiefoto van Monroe. Ze klonk zo boos dat het me zinloos leek een discussie aan te gaan. Ik zei dat ik er anders over dacht en liep weg. De volgende dag las ik thuis in de fraaie DeLuxe-bijlage die Dumas in mei als gastredacteur voor NRC Weekend maakte, het tegenargument dat ik had kunnen gebruiken.

De schrijver en gedragsbioloog Tijs Goldschmidt schreef over het schilderij The Dead Man: „Valt het überhaupt te rechtvaardigen een weerloze dode te schilderen? Als zo’n schilderij met empathie is gemaakt wel (met het slachtoffer sympathiseren is daarbij geen noodzakelijke voorwaarde). Sterker nog, als het goed wordt gedaan geeft het de dode postuum bestaansrecht, een vorm van eerherstel.”

Verder bracht deze tentoonstelling bij mij een herinnering boven aan de cabaretier Hans Liberg. Ik bezocht hem in de jaren tachtig voor een interview in zijn huis. Hij wees mij toen trots op een schilderij van een mij onbekende kunstenares dat hij net had gekocht. Ik ben vergeten welke indruk het destijds op mij maakte. Het moet het schilderij Martha – die Bediende zijn geweest, een indringend portret van een zwarte Zuid-Afrikaanse vrouw dat ook op deze tentoonstelling hangt. De naam van Liberg en zijn partner Marliz Frencken staan erbij afgedrukt.

Marlene Dumas was toen nog lang geen beroemdheid. Goede kunstverzamelaars zoals Liberg hebben het haar gemakkelijker gemaakt dat te worden.