‘Ik heb mijn verdachten nooit gezien als beesten’

Hij was 27 toen hij hoofdaanklager werd van het Einsatzgruppen-proces, tegen Duitse oorlogsmisdadigers. Zijn strijd voor internationaal recht heeft hij nooit meer gestaakt.

Benjamin Ferencz: „Ik heb geen tijd om dood te gaan. Ik heb niet eens tijd om oud te worden.”

Vliegtuigwrakstukken op de grond, hulpverleners die zoeken naar menselijke resten. Benjamin Ferencz (94) zag de beelden van het neergehaalde toestel van Malaysia Airlines en dacht terug aan soortgelijke taferelen, zeventig jaar geleden. Toen diende hij als sergeant bij de Amerikaanse luchtdoelartillerie. Zijn eenheid maakte de opmars door Frankrijk en Duitsland mee. „Het kwam voor dat we per ongeluk een geallieerd vliegtuig neerhaalden. Dan moesten we het veld in met een kartonnen doos om lichaamsdelen te verzamelen. Je was blij als je een vingertop vond, zodat we het slachtoffer konden identificeren.”

Ferencz begrijpt dat de nabestaanden van de slachtoffers van vlucht MH17 boos zijn en gerechtigheid willen, maar er is geen schijn van kans dat er ooit iemand voor de rechter verschijnt die verantwoordelijk is voor dit drama, denkt hij. „Nul. Als de feiten ooit boven water komen – en dat is nog maar helemaal de vraag – zullen de daders niet worden uitgeleverd. Ik denk ook dat er op dit moment geen rechtbank is waar je met deze zaak terecht kan, in ieder geval niet bij het Internationaal Strafhof in Den Haag.”

Ferencz weet waarover hij praat. De kwieke Amerikaan zet zich namelijk al zeven decennia in voor de bevordering van de internationale rechtsorde. Hij was openbaar aanklager tijdens de processen tegen de nazi’s in Neurenberg en streed daarna voor de komst een permanent tribunaal waar misdaden tegen de menselijkheid konden worden berecht. Dat kwam er in 2002 met de oprichting van het Internationaal Strafhof. Ferencz was vorige week in Nederland voor een bezoek aan dit hof en een lezing bij het Asser Instituut.

Hij begrijpt dat premier Rutte heeft gezegd dat hij er alles aan zal doen om de verantwoordelijken voor de rechter te brengen. „Maar zo’n belofte is politiek. De mensen willen zoiets horen. Helaas zal het er in de praktijk niet van komen.”

We leven nog niet in een wereld waarin het recht altijd zegeviert, wil Ferencz maar zeggen. Bepaald niet. En daarom zet hij zich nog elke dag in om dat doel te bereiken. Lachend: „Ik heb geen tijd om dood te gaan. Ik heb niet eens tijd om oud te worden. Misschien ben ik wel onsterfelijk. Daarover moet ik nog een beslissing nemen.”

Ferencz’ queeste begon eind 1945. Het grote proces in Neurenberg, waar verdachten als Hermann Göring en Rudolf Hess terechtstonden, was toen al aan de gang. Ferencz, die in Harvard rechten had gestudeerd, werd met een team onderzoekers naar Berlijn gestuurd om meer bewijzen te verzamelen. Met dit materiaal voerden de Amerikanen na het hoofdproces nog twaalf andere processen, tegen onder meer artsen, juristen en zakenlui, voor hun aandeel in de misdaden van de nazi’s.

Ferencz werd benoemd tot hoofdaanklager van het Einsatzgruppen-proces. Hij was 27 jaar oud toen hij in 1947 begon aan deze zaak, het grootste moordproces aller tijden. De Einsatzgruppen doodden in Oost-Europa in de eerste jaren van de oorlog ongeveer een miljoen mensen, veelal Joden. Gaskamers waren er niet. De ongeveer 3.000 beulen voerden massa-executies uit, waarbij op een dag soms duizenden mannen, vrouwen en kinderen een nekschot kregen.

Aan getuigen had Ferencz geen behoefte. Hij riep in de rechtszaal ook de 24 verdachten, allemaal officieren van de SS, niet naar voren. „Ik had genoeg bewijs: de Duisters legden alles op papier vast. Er zijn talrijke berichten met daarin het aantal vermoorde Joden. Twee dagen: dat was alles wat ik nodig had om de feiten te presenteren. Alle verdachten werden veroordeeld; veertien kregen er de doodstraf.”

Ferencz bleef tijdens de hele zaak kalm, ondanks dat hij zelf van Joodse komaf is en bij de bevrijding van een aantal concentratiekampen was geweest. Slechts één keer ging zijn bloed koken. „Dat was toen een van de verdachten zei: ‘Duizenden Joden doodgeschoten? Dat hoor ik hier voor het eerst.’ Ik wilde het liefst over het katheder springen en hem met een ijspriem in zijn oren prikken om zijn gehoor wat te verbeteren. Maar ik verbeet mijn woede en zei: ‘Laat me uw geheugen opfrissen. Ik heb hier enkele van uw eigen verslagen.’”

Pas nadat de vonnissen waren geveld, trad Ferencz de verdachten „als mens” tegemoet. Hij ging naar de dodencellen en zocht hoofdverdachte Otto Ohlendorf op. De Einsatzgruppe van deze SS’er, een gepromoveerd jurist, had 90.000 mensen vermoord. „Hij had vijf kinderen. Misschien wilde hij ze een boodschap geven; misschien had hij spijt. Maar dat was niet zo. Hij zei me dat de Amerikanen een fout hadden gemaakt door zich tegen de nazi’s te keren. De communisten zouden het in de Verenigde Staten voor het zeggen krijgen. Ik heb hem gegroet en ben weggelopen. Hij is in 1951 opgehangen. Ik kreeg een uitnodiging om erbij te zijn, maar daarvoor heb ik bedankt.”

De processen in Neurenberg waren van belang om te ontdekken waarom mensen in een beschaafd land als Duitsland tot zulke verschrikkelijke daden konden overgaan, zegt Ferencz. „In een oorlog kunnen normale mensen moordenaars worden. Ik heb mijn verdachten nooit beschouwd als beesten of gekken. Ze waren er van overtuigd dat het in het belang van Duitsland was om de Joden te vermoorden. En totdat je de manier verandert waarop mensen aankijken tegen mensenrechten, kunnen deze dingen gebeuren. Dat zien we vandaag met IS.”

De rechtspraak kan hierbij een rol spelen, daarvan is Ferencz overtuigd. „Het doel van het strafrecht is niet om de gevangenissen zo vol mogelijk te krijgen, maar om mensen ervan te weerhouden slechte dingen te doen. Als ze weten dat ze niet ongestraft wegkomen met hun misdaden, bedenken ze zich hopelijk.”

Ferencz werkte na de processen in Neurenberg als advocaat, maar nam tijdens de Vietnamoorlog ontslag om zich permanent in te zetten voor de internationale rechtsorde. Hij schreef boeken en artikelen en reisde de hele wereld over om zijn zaak te bepleiten. Als erkenning voor die inspanning mocht hij in 2011 als laatste het woord te voeren tijdsen het proces tegen Thomas Lubanga, de eerste zaak van het Internationaal Strafhof. De Congolese rebellenleider werd veroordeeld tot veertien jaar cel.

De laatste tijd klinkt er kritiek op het strafhof, omdat er tot nu toe enkel zwarte Afrikanen zijn gedaagd. Ferencz moet lachen als hij hiermee wordt geconfronteerd. „Ik kom net terug van een afspraak met hoofdaanklager Fatou Bensouda, een hele aardige dame uit Gambia. Het idee dat zij bewust alleen zwarte Afrikanen zou vervolgen, is absurd. Uiteindelijk zullen we hopelijk ook mensen met een andere huidskleur en uit machtige landen arresteren en voor hun daden berechten. Het hof moet, als elke baby, eerst leren kruipen, voordat het kan lopen.”

Dit is geen reden voor pessimisme, vindt Ferencz. „Mensen zijn geneigd om alleen te letten op wat er fout gaat, maar tijdens mijn leven is er op het gebied van de mensenrechten al meer ten goede veranderd dan in de eeuwen ervoor. En door het internet kunnen mensen over de hele wereld zich nu informeren en met elkaar communiceren. Dat zal leiden tot revoluties.” Dan, somberder: „Hopelijk zijn die niet te bloedig. Het is een van de twee: de wereld zal ten goede veranderen, of ze houdt op te bestaan.”