Column

Haagse chic

Aan Hotel Des Indes in Den Haag heb ik tedere herinneringen. In 1983 was ik er voor een nacht ondergebracht door mijn werkgever, in een kamer op de begane grond die slechts door een hekje van de chique Lange Voorhout was gescheiden. Opdat ik de nacht niet alleen zou moeten doorbrengen, had ik met een vriendinnetje afgesproken dat zij na middernacht over dat hekje zou klimmen en zich bij mij voegen. Dat deed zij.

Nauwelijks waren we aan het roerend weerzien begonnen, of er werd woest op de deur gebeukt en voor het raam verschenen blauwe zwaailichten. Een portier had de indringster gezien en dacht dat ik was overvallen. Toen ik de volgende ochtend wilde bijbetalen voor mijn illegale gast, wuifde de receptionist dat weg: die dingen kwamen voor.

Nu ik dertig jaar later weer in Des Indes ben, niet om er te slapen maar voor de opening van de manifestatie 200 jaar Prinsjesdag, vraag ik me af of zo’n grap nu nog zo vrolijk zou aflopen. Misschien was mijn vriendinnetje nu wel aangezien voor een terrorist die een 5-sterrenhotel wilde binnendringen, je ziet de scherpschutters al voor je.

En er lijkt ook iets aan het hotel veranderd. Ik herinner me Des Indes als een plek van enigszins verschoten, onnadrukkelijke chic – de ware Hollandse deftigheid kortom. Sindsdien is het hotel echter een aantal malen verkocht en opgeknapt. De negentiende-eeuwse koekenbakkersstijl werkt nu eerder poenerig: high tea in de lobby onder begeleiding van een harpiste, dat zegt genoeg.

De manifestatie 200 jaar Prinsjesdag omvat 82 evenementen in vier dagen, en is georganiseerd door hetzelfde comité dat vorig jaar aan het strand van Scheveningen de landing van de prins van Oranje in 1813 had laten naspelen. Hoogtepunt is de koninklijke rijtour op Prinsjesdag zelf – à raison van zestien euro heb je al een plaatsje op een van de tribunes op de Lange Voorhout.

Hotel Des Indes draagt aan het festijn een kleine tentoonstelling bij, waarvan niet helemaal duidelijk wordt wat die met Prinsjesdag van doen heeft. Er zijn wel leuke dingen te zien, zoals een met potlood geschreven brief van de Nederlandse erotische danseres Mata Hari uit 1916. Zij is dan in Engeland gearresteerd en schrijft aan de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken: „Ik ben hier geheel alleen en ik zweer u dat alles volkomen in orde is. Het is een misverstand, maar ik bid u, help mij.” Een jaar later zal ze in Frankrijk als Duitse spion worden veroordeeld en geëxecuteerd.

Bij het verlaten van het hotel passeer ik op de Korte Voorhout het gigantische, uit 1866 daterende monument voor hertog Karel Bernard van Saxen Weimar (1792-1862), een Duitse generaal die in Nederlandse dienst is geweest, maar verder geen rol van betekenis heeft gespeeld in onze vaderlandse geschiedenis. Toch staat het hier, in het hartje van de residentie, op een steenworp afstand van de Staten-Generaal. Nergens wordt onbeduidendheid zo in ere gehouden als in het Haagje.