Gouden Leeuw voor Zweedse favoriet

Met een Gouden Leeuw voor de Zweedse meester Roy Andersson houdt Venetië zich staande in de herfstslag tussen de internationale filmfestivals. Maar de druk neemt toe.

Coen van Zwol

Regisseur Roy Andersson won zaterdagavond de Gouden Leeuw op het 71ste filmfestival van Venetië, en iedereen was blij. Want zijn droeve komedie A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence drijft met een Tati-achtige pokerface de spot met de absurditeit van het bestaan. Een prachtige film, een regisseur die het verdient.

En een teken dat we nu ook weer niet te veel moeten somberen over het verval van Venetië, ’s wereld oudste filmfestival. Deze wereldpremière hadden Cannes en Toronto maar al te graag gehad – maar Andersson koos het Lido. Minder prettig voor Venetië is dat de tweede grote favoriet, Birdman, met lege handen vertrok, evenals de andere Amerikaanse films in de hoofdcompetitie. Dat helpt het festival niet om Amerikaanse prestigefilms binnen te halen.

Dit jaar viste Venetië al achter het net bij David Finchers Gone Girl en Paul Thomas Andersons Inherent Vice, die beide naar het New York Film Festival gaan. Hollywood lanceert zijn Oscarkandidaten tegenwoordig liever op Noord-Amerikaanse herfstfestivals: voorop het kolossale Toronto, maar ook op Telluride en New York. Alleen bij de openingsfilm van Venetië – vorig jaar Gravity, dit jaar Birdman – weegt het publicitaire gewicht kennelijk nog op tegen de hoge verblijfkosten van het Lido.

Toronto heeft nog een ander voordeel: er zijn geen prestigieuze juryprijzen te winnen, dus je kunt ook niet verliezen. Kleeft aan Birdman, dat enorm in de smaak viel bij de filmpers en toch niets won, niet nu al het etiket van verliezer?

Op de rode loper van Venetië trof je na Birdman weinig A-lijst uit Hollywood: de fanmeisjes en paparazzi moesten genoegen nemen met anti-glamour, lokale helden en vergane glorie als Al Pacino. Een lapmiddel is dan filmsterren naar de rode loper lokken met schertsprijzen, zoals de de ‘Jaeger-Le Coultre Glory to the Filmmaker Award’ van Venetië. Die ging dit jaar naar acteur James Franco, Hollywoods hipster-in-chief die ook al 25 video’s, documentaires en speelfilms regisseerde. Zo heeft elk festival wel een nieuwe Franco, doorgaans wisselvallige experimenten, zoals The Sound and the Fury in Venetië. Op het Lido zette Franco zijn ADHD-productie voort door van de prijsuitreiking een scène in zijn volgende film, Zeroville, te maken. Met kaal hoofd, tatoeage en snor speelde hij filmfanaat Ike Jerome. Venetië speelde graag mee: dat zet je toch op de kaart.

Sterren zijn de kers op de taart; de kern van elk festival zijn de films. En voor het niveau van de twintig films in de hoofdcompetitie voor de Gouden Leeuw hoefde Venetië zich allerminst te schamen. De toon was zwaarmoedig, de onderwerpen sociaal-politiek en historisch relevant: oorlog en genocide (vijf films), ouderdom en verval (vier films), crisis en kapitalisme (drie films) – al waren er ook drie films over Broadway en twee met een bijrol voor Charlie Chaplin: de doodskist van de kleine vagebond werd opgegraven en gegijzeld in de op een waargebeurd verhaal gebaseerde Franse komedie La Rançon de Gloire.

Er waren veel voortreffelijke films die niet in de puzzel van de jury (zie inzetje) pasten. Zoals de extreme Japanse remake Nobi, Fires on the Plain, waar de Japanse terugtocht op de Filippijnen anno 1945 uitdraait op een dodenmars, de broeierige maffiafilm Anime Nere of de neowestern Loin des Hommes, met Viggo Mortensen als ‘pied noir’ die in 1954 een Algerijn naar de strop escorteert.

Toch baart de groeiende druk van Toronto – dit jaar 284 titels en 139 wereldpremières – zorgen. Dat festival begon dit jaar al op donderdag en trok het Lido direct leeg. Toronto draait dit jaar in de eerste vier dagen louter wereldpremières, wat Venetië films kan kosten: eerst in Venetië draaien betekent minder aandacht in Toronto. Directeur Alberto Barbera van Venetië noemde vrijdag „een oorlog tussen filmfestivals mal”, maar het Canadese Rupsje Nooitgenoeg lijkt op oorlogspad.