De pijpende flierefluitster

Afgelopen vrijdagmiddag werd in Amsterdam een boek gepresenteerd getiteld Vieze liedjes uit de 17de en 18de eeuw. Het gaat om een bundel met bijna honderd liedjes, ingeleid en van noten voorzien door Annemieke Houben. Houben moderniseerde de spelling, maar hertaalde de teksten niet, zodat ze in de oorspronkelijke bewoordingen te lezen zijn.

Anders dan je zou denken is er maar weinig onderzoek gedaan naar erotiek uit die periode. De liedjes geven dan ook een interessant inkijkje in de belevingswereld en fantasieën van Nederlanders uit de 17de en 18de eeuw. Mannen en vrouwen gingen indertijd, als we de liedteksten mogen geloven, regelmatig vreemd en liepen daarbij vaak geslachtsziektes op. Vrouwen bejubelden de ‘fluit’ van hun man, ze lieten zich voor hun genot ‘klisteren’ of foeterden impotente minnaars uit.

De liedboekjes en liedbladen waar Houben uit putte gingen mee naar de kroeg of naar feesten. De liedjes werden gezongen door mannen en vrouwen, arm en rijk, vooral in de stedelijke milieus. Vanzelfsprekend protesteerde de Kerk tegen deze liedjes - de zedelijkheid stond al zo onder druk, bijvoorbeeld door romans en schilderijen met veel bloot -, maar de overheid deelde zelden straffen uit voor schunnigheden.

De meeste teksten zijn geschreven vanuit mannelijk perspectief, stelde Houben vast, maar volgens haar zegt dit vooral iets over de vertelconventies uit die tijd. Of vrouwen indertijd werkelijk hun schaamhaar coiffeerden is niet bekend, maar er bestaat wel degelijk een (spot)lied over schaamhaarkapsels.

Voor huidige lezers zijn de teksten tamelijk verhullend, want in onze ogen zijn ze weinig expliciet. Maar indertijd wist iedereen wat er bedoeld werd als men zong over bijvoorbeeld: vissen in haar vijvertje, vogelen op haar veld of jagen in haar bosje. Mannen bespeelden graag hun fluit, wierpen trots hun hengel uit of presenteerden hun geweer. Het is opmerkelijk hoe vaak de vrouw vervolgens de leiding nam, bijvoorbeeld door de man op te dragen niet te snel te schieten. Of pas nadat zij was gedood (lees: klaargekomen).

Het boek is fraai uitgegeven (door uitgeverij Vantilt), met mooie erotische afbeeldingen. De liedjes en versjes zijn gezet in het 18de-eeuwse lettertype Fleischmann, in dit verband een toepasselijke naam.

Ook de toelichtingen van Houben zijn vaak een genot om te lezen, omdat er een onderkoelde humor uit spreekt. Zo schrijft ze over een liedje uit 1626 waarin het gaat over pijpen, toen een gangbaar woord voor ‘fluitspelen’: „In oude teksten waarin een fluit van vlees bespeeld wordt, is er niet per se sprake van orale seks. In dit liedje verraadt het meisje de ware aard van het ‘pijpen’ door de jongen te vragen om zich bij de ejaculatie tijdig terug te trekken. Dat zou met een volle mond niet mogelijk zijn. Mond was trouwens een heel gangbare metafoor voor vagina.”

Houben stuitte tijdens haar onderzoek geregeld op krantenadvertenties van (lied)boekjes die niet in openbare collecties bewaard zijn gebleven. Zo verscheen in 1787 De geheimen van Venus en Cupido, een curieus werkje over de omgang van Europese mannen met Javaanse ‘hoertjes’, inclusief een beknopte Maleise woordenlijst met erotisch jargon. Mocht iemand dit in kast hebben staan, meldt u, want daar gaat u veel onderzoekers blij mee maken.