Buitenboordbeugel kan weer verdwijnen

Minischroefjes in de kaak kunnen de buitenbeugel vervangen. Pijnloos en stabiel.

Kinderen met buitenboordbeugels zijn binnen een paar jaar waarschijnlijk een zeldzaamheid in het straatbeeld. De externe beugels, aangepast door een orthodontist, waren nodig om bij het langzaam draaien en verplaatsen van tanden en kiezen een vast ankerpunt te hebben. Maar steeds meer orthodontisten schroeven daarvoor tegenwoordig minischroefjes rond een tand of kies in het kaakbot. En dat gebitselement is dan rotsvast gefixeerd. daar kan een buitenbeugel niet tegenop, ook al omdat die niet altijd wordt gedragen.

Die mini-implantaten doen hun werk goed. Dat is de conclusie van een vorige maand gepubliceerd Cochrane- review door Britse tandheelkundigen. In Cochrane-overzichtsartikelen wordt beoordeeld of er voldoende wetenschappelijk bewijs is voor een medische behandeling.

De buitenboordbeugel, ook wel ‘headgear’ genoemd, is de laatste paar decennia in Nederland gemeengoed worden, maar het idee om zo een extern vast punt voor de binnenbeugel te creëren stamt al uit de jaren dertig van de vorige eeuw.

Maar voortaan kan het dus anders. De grote, driewortelige voorste kies in de bovenkaak is een veel gebruikt verankeringspunt voor beugels die worden aangebracht om een regelmatig gebit te krijge. De Britten tonen nu aan dat deze kies bij toepassing van die minischroefjes vrijwel niet van zijn plaats komt.

Deze conclusie is belangrijk, want een groot probleem bij de tegenwoordige beugels is de ongewenste verplaatsing van tanden en kiezen die al op hun plaats staan. Immers, bij toepassing van een beugel wordt er met metaaldraadjes en elastiekjes aan tanden en kiezen getrokken om ze van plaats te veranderen. Maar iedere kracht wekt een reactiekracht op – ook in de mond. En de beugel zit altijd vast aan tanden en kiezen die eigenlijk al goed staan. Tanden en kiezen verplaatsen zich in de kaak doordat er aan de kant waar ze naartoe worden getrokken wat kaakbot verdwijnt, dat aan de ‘lijzijde’ weer wordt gevormd.

Kleine schroefjes of botankertjes (een soort titanium plaatjes die ook bij de heling van botbreuken worden gebruikt) hebben daar minder last van. Daarom kunnen ze een stabiel aangrijpingspunt zijn.

Het lijkt niet overdreven nu al te stellen dat het toepassen van deze minischroeven in de toekomst het optimaliseren van de stand van de tanden en kiezen vereenvoudigt en de patiënt verlost van het vervelende dragen van een buitenboordbeugel.

Die schroefjes en plaatjes zijn ook op andere plaatsen dan rond die voorste kies goed toepasbaar. Het inschroeven is onder plaatselijke verdoving vrijwel pijnloos, schreef de Nijmeegse orthodontist Hero Breuning (Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, februari).

De implantaten zijn doorgaans 1,5 tot 1,8 mm dik en 5 tot 10 mm lang. Ze kunnen direct na het inschroeven worden belast met orthodontische krachten. De schroefwindingen in het kaakbot geven direct voldoende stabiliteit, als er tenminste voldoende kaakbot aanwezig is. Daar moet, aldus Breuning, de orthodontist goed op letten. Ook de verwijdering, als de tanden en kiezen recht staan, is vrijwel pijnloos en kan zonder verdoving.