Angst

Schrale troost van Barack Obama deze week: het lijkt wel, sprak hij, of de halve wereld in brand staat – de invasie van Rusland in Oekraïne, de massale slachtingen van IS, de bloedige ravage in Gaza, de implosie van met Midden-Oosten – maar tijdens de Koude Oorlog was het heus erger. Een hele geruststelling, net als de bemoedigende schouderklopjes in zoveel weldenkende analyses: echt, alles waar wij nu van schrikken, is al eens eerder gebeurd. Poetins Rusland mag door en door verrot zijn, maar denk even aan Stalin en de zon breekt door. Na de onthoofding van Daniel Pearl in 2002 is het leven ook gewoon door gegaan. En trouwens, wist je dat het afhakken van hoofden een lange traditie kent, die helemaal teruggaat tot de Romeinen? En laten we niet doen of er vroeger geen verdwaasde radicalen rondliepen die de wereld wilden vernieuwen door hem te vernietigen. Ook dit gaat voorbij, schrijven de commentatoren die zich niet gek laten maken; de geschiedenis van Rusland is er een van hoogmoed die voor de val komt, Poetin graaft zijn eigen graf. En er komt een moment dat zo’n jihadist schrikt van het bebloede mes in zijn hand en zijn studie gaat afmaken. Later, wanneer hij de oemma verruilt voor onroerend goed, kan hij zich niet meer voorstellen wat hij gedaan heeft – zoals Meindert Fennema ook niet meer weet wat er nou zo goed aan Lenin was.

Nu lijkt het even monsterlijk, over een tijdje blijkt het gewoon menselijk.

Je kunt het broodnodige relativering noemen. Ik noem het bange bezwering. Afstand nemen kan gemakkelijk wegkijken worden. Dan wordt relativering tot lui relativisme.

D aarom stellen de woorden van Barack Obama niet gerust – hij probeert de angst weg te redeneren, in plaats van er iets tegenover te stellen. Niemand komt er graag voor uit, maar veel mensen zijn bang omdat, ondanks alle stellige meningen over wat ons te doen staat, niemand weet wat ons te wachten staat. Die angst lijkt me reëel, geen hersenspinsel. De irrationele krachten die het afgelopen decennium geriefelijk genegeerd of gemarginaliseerd konden worden, gingen deze zomer ineens frontaal in de aanval. Virulent nationalisme, religieus messianisme, krijgersretoriek en geweldverheerlijking, verzengende dromen over herstel van verloren grootsheid, het Kalifaat en Novorossiya, overgoten met een misselijkmakende orwelliaanse saus – oorlog is vrede, aanval is verdediging, dader is slachtoffer. En alle onaangename waarheden worden natuurlijk afgedaan als jammerlijke leugens, slinkse propaganda van de tegenstander. Alles wat onwelgevallig is, is onderdeel van een complot. Iedereen slacht uit zelfverdediging, dus is niemand meer schuldig.

In 1967 hadden we the summer of love. 2014 die van de haat. Toen eind jaren tachtig de Muur viel, wisten verstandige mensen ook wel dat de geschiedenis niet ten einde was. Maar weinigen voorzagen dat hij op hol zou slaan.

Zowel de onthoofding van de Amerikaanse journalist James Foley als het neerschieten van de MH17 zullen in het licht van de wereldgeschiedenis incidenten zijn. Maar nu zijn het even ook symbolen van de radicale verwerping van alles wat we beschaafd en humaan achten. Dat klinkt fraai, en ook wel een beetje hol, maar het kat-en-muisspel dat zowel Poetin als IS met het westen spelen, bestaat juist uit het doelbewust tarten onze noties van wat verstandig en beschaafd is. Steeds een beetje verder, steeds een beetje brutaler, steeds een beetje harder. Er wordt een spel gespeeld dat geen regels lijkt te hebben.

Het zijn provocaties. Hoe kunnen we ons niet laten provoceren? Twee historische schrikbeelden bepalen het debat, vooral wat de Russische agressie betreft. Het eerste is het slaapwandelaars-scenario, à la 1914: als je retoriek met retoriek beantwoordt, je laat opnaaien door grote woorden, help je mee een wereldbrand te veroorzaken. Het tweede scenario komt uit 1938 – het appeasement-scenario, juist het angstig goedpraten en toegeven aan nietsontziendheid en politiek en radicalisme veroorzaakt de grootse rampen. Je mag zelf kiezen.

Het nieuwe toverwoord is deëscalatie. We zullen zien. Maar wie gelooft dat de bedwelmende ideologische krachten die zich deze zomer zo brutaal aan de wereld presenteerden, zich laten temmen aan de conferentietafel of door een anti-radicaliseringsprotocol, is niet nuchter, maar naïef. Er is reden genoeg voor angst.