Wesp

Elke week staat op deze plaats een fictieverhaal. Deze week: een fragment uit De eerste maandag van de maand, de nieuwe roman van Peter Zantingh.

We zaten aan het meertje bij het festivalterrein. Veel bezoekers gingen daar ’s ochtends heen, om de kater uit hun lijf te zwemmen en in de zon te liggen. Vanachter de bomen aan de andere kant van het water klonk een zware bass. De soundcheck van de eerste band die op het hoofdpodium stond geprogrammeerd.

Het was ook zo vroeg op de dag al warm, maar we waren het water nog niet in geweest. Ik zat op een witte handdoek, die groene vlekken had gekregen van het gras. Mijn slippers stonden ernaast, tussen het onkruid. Luuk rende in paniek kleine rondjes om me heen omdat er een wesp bij hem in de buurt was.

Toen: Sara. Ze was het meisje op een paar meter afstand, in haar eentje, in een zwart-wit gestreepte bikini met een strik aan de zijkant van het broekje, die moest suggereren dat de stof daar nonchalant aan elkaar geknoopt was. Ik zag aan haar boek, dat ze in kleermakerszit aan het lezen was, dat ze ook uit Nederland kwam.

Ik vroeg wat ze las, ook al had ik het al gezien. Ze sloeg de paperback dicht terwijl ze haar duim op de pagina waar ze gebleven was hield. Ze tilde het lichtjes op. Ik zag een Japans vrouwengezicht op een omslag met ezelsoren. ‘Murakami,’ zei ze.

Ze verlegde haar aandacht van mij naar Luuk.

‘Wat is er met hem?’ vroeg ze. Ze liet haar ogen de bewegingen van Luuk volgen, die nog steeds kleine stukjes heen en weer rende en af en toe bijna uitgleed bij een onhandige pirouette.

‘Wesp,’ zei ik.

‘Je moet gewoon stil blijven staan,’ riep het meisje naar hem, en ze lachte. Ze had het boek op haar handdoek gelegd en keek geamuseerd toe.

‘Als ik stil blijf staan, ga ik dood,’ zei hij haastig, alsof hij antwoord gaf op een quizvraag terwijl de zoemer bijna ging. Naar de wesp schreeuwde hij ‘Hé joh!’, terwijl de rook van zijn sigaret zijn wilde bewegingen volgde.

Luuk had eens een verhaal gehoord over een man die was overleden aan een wespensteek omdat hij niet wist dat hij ernstig allergisch was voor het gif. Omdat hij zelf nooit in zijn leven geprikt was, kon hij niet uitsluiten dat hij dezelfde allergie had. We waren eerder die zomer een dagje naar het strand geweest en hij was daar met zijn ijsje per ongeluk vlak bij een wespennest gaan zitten. Het leek op het eerste kwartier van Saving Private Ryan.

Toen rende hij plotseling weg, richting het pad dat naar de camping leidde. Bij het kraampje met braadworsten dat op de hoek stond, struikelde hij nog bijna over een heuvelend stuk gras.

Ik keek opzij. Ze had lichtbruin, licht krullend haar, dit meisje, een mooie, ronde neus en stralende ogen. Ik telde tien sproetjes (en twee borsten) en bedacht me ineens dat het vreemd was dat ze hier alleen was. Het was niet het soort meisje dat alleen op een festival rondliep.

‘Ben je hier in je eentje?’ vroeg ik.

‘Wat, op het festival?’

‘Nee, hier.’ Ik wees omlaag. ‘Bij dit meertje.’

‘Ik geloof dat mijn vriendinnen zich gisteravond een beetje misdragen hebben,’ zei ze. ‘Die kreeg ik niet uit hun tent vanmorgen.’

‘De Biergarten,’ zei ik. En ik knikte er begrijpend bij, als een automonteur die met één blik ziet: Ja hoor, het ligt aan de carburateur.

‘Sorry?’

‘Te lang in de Biergarten gehangen? Zo noemen ze dat grasveldje met de tafels bij de overdekte tent, toch?’

‘O, ja. Dat denk ik. Dat ze daar geweest zijn. Ik kan dat niet, veel drinken. Ik ben eerder gaan slapen.’

Luuk was de wesp kwijt. Hij stond naast het braadworstenkraampje een sigaret te roken. Ik wees op hem, en zei tegen het meisje: ‘Kijk, hij is niet dood.’

‘Dat is mooi,’ zei ze.

Luuk kwam teruggelopen en stelde voor terug te gaan. Hij schudde zijn handdoek uit. Stukjes droog gras waaiden richting het water. Hij probeerde het ding daarna met één hand op te vouwen om ondertussen te kunnen blijven roken, wat maar half lukte. Ik stond op, zei tegen het meisje dat we de band die over een uurtje speelde niet wilden missen, en ik hoopte dat ze daar ook zou zijn, maar vroeg het niet.

Toen we wegliepen en ik nog eens achterom keek, zag ik dat ze Murakami in het gras legde, opstond, haar broekje routineus rechttrok, waarbij een vinger even onder de stof verdween, en richting het meertje liep. Haar knieën stonden een heel klein beetje naar binnen, zag ik, en dat gaf haar een loopje dat van een kleine lichamelijke imperfectie onwaarschijnlijke elegantie maakte. De snaar van John Lennon die knapt tijdens het uitzinnige slotstuk van Hey Jude en daarom het nummer laat klinken zoals mijn vader het vroeger aan me had laten horen.

Ze liep naar het water en ik telde haar passen. Ik keek naar haar voeten, zag hoe ze eerst haar hiel optilde, haar tenen bleven nog wat langer staan, toen maakte ze de stap, ze keek naar beneden, naar het gras, haar haar viel naar voren, ze ving het op met één hand en haalde het weer naar achter.

Luuk was verder gelopen. Ik deed alsof ik bij de braadworsten bleef aarzelen.

‘Alweer honger?’ zei hij. ‘Mooie boel, zeg.’ We hadden die ochtend al wat gegeten in het dorpje vlakbij.

Ik reageerde niet op zijn vraag, bleef kijken.

Ze stond nu in het water, trotseerde de kou, streek haar handen aaiend langs het oppervlak.

Ik dacht toen dat ik haar wel weer tegen zou komen. Ik weet niet waarom ik daar zo zeker van was, want later bleek die gedachte ongegrond. Het werd middag en avond, truien werden aangetrokken over t-shirts, de bands werden populairder, er klonk muziek uit meerdere hoeken, er stonden lange rijen bij de eetstandjes, ik wachtte een half uur op twee pizza’s terwijl Luuk een nieuwe aansteker ging kopen omdat hij de vorige kwijtgeraakt was, er viel een gloed over het festival, de gloed van een festivalavond met bier uit plastic bekers en bandleden in houthakkersshirts.

Ik zag haar niet meer tussen de vijfduizend andere bezoekers, die allemaal net iets dikker of dunner of langer of kleiner of bruiner of witter waren of anders liepen en niet op die manier achtentwintig passen hadden gezet.