Naar de kapper

Misschien wel dertig jaar had ik hem niet gezien, deze ouwe makker. Destijds had hij lang haar, langs zijn wangen en tot in zijn nek. Hij was toen lid van de PSP; door De Telegraaf werd hij tot het langharig werkschuw tuig gerekend. Nu zag hij er onberispelijk uit, met kort geknipt grijs haar en hij had een ringbaardje laten groeien. We herkenden elkaar onmiddellijk, het was een hartelijk weerzien. We zaten op het terras van café De Zwart, waar je een ontzettend lekker koekje bij de koffie krijgt. Aan het Singel, vlakbij de andere hoek van de Heisteeg, die tegenwoordig ook Herman Broodsteeg heet (met een keurig naambordje), was vroeger Kapper Hans gevestigd. Zacht speelde daar de radio klassieke muziek terwijl Hans al knippend af en toe een dubieuze mop vertelde. Niet geschikt voor deze krant.

We keken uit over het Spui, dachten aan Robert Jasper Grootveld die daar bij Het Lieverdje zijn happenings had gehouden. Nog veel meer dierbare dingen. Aan het tafeltje voor ons gingen twee mannen van een jaar of 25 zitten, hun hoofden kaal geschoren tot in de nek waar je de dikke vleesrimpels kon zien. Ze begonnen ongelofelijk hard te praten. Schreeuwen kon je het niet noemen. Het ging soepel, zonder een merkbare inspanning. Ook dat is modern. Kale koppen die het niet kan schelen of er iemand meeluistert. Of misschien is dat wel de bedoeling: dat je van hun meeslepende gedachtenwisseling op de hoogte raakt. Je hoeft je trouwens niet te laten kaalscheren om zo opzienbarend te praten.

Vlakbij het Spui aan de Voorburgwal was de kapsalon van de destijds beroemde Italiaanse kapper Pasquale. Hij heeft zich hier gevestigd in 1965. Tenslotte is hij verhuisd naar de Begijnensteeg 10. Dat huisje wordt op het ogenblik verbouwd. In 2013 is Pasquale, toen 77, gestorven. Hij sprak snel, met een stevig Italiaans accent. In zijn vak was hij een genie, wat hij ook wel aan zijn klanten liet weten. ‘Haren zijn de antennes van de ziel’ is het aforisme dat hij heeft nagelaten.

Wat is een genie in het kappersvak? Dat hangt samen met zijn verantwoordelijkheid. Haren groeien, verkleuren, vallen uit. Dat proces duurt je hele leven. Als je het op zijn beloop zou laten, zag je eruit als een wilde. Dat wil niemand. Je wilt fatsoenlijk tevoorschijn komen, iedere dag. Maar wat dat aangaat heeft iedereen zijn persoonlijke smaak. Lang haar, een krullenkop, een ‘gedekt model’, een gemillimeterd bolletje, en dat alles nog met strikt persoonlijke tussenvormen. Je haren blijven groeien en daarom moet je hoofd regelmatig gefatsoeneerd worden.

Om goed werk te doen moet de kapper zich met het ideaalbeeld van iedere klant identificeren. Hoeveel klanten heeft hij per dag? Twintig? Dan betekent dat twintig verschillende identificaties. Het gaat op het werk van een psychiater lijken. Hij heeft zijn laatste knip gedaan, houdt een spiegel zodanig dat de klant zijn achterhoofd en zijn profiel kan bekijken. De kapper is ook een kenner van de menselijke ziel. Deze man is ontevreden. Is er te weinig afgeknipt dan valt er nog iets aan te doen. Te veel is een verloren zaak. Hij tovert nog wat met zijn schaar terwijl hij uitlegt wat hij doet. Maar hoeveel praatjes hij ook maakt, die man komt niet meer terug.

Nog een raadsel van de kapper. Ter herkenning van zijn winkel heeft hij bij de ingang een rood wit blauw gekleurde cylinder hangen. Waarvoor? Wat is dat? Het is de kapperspaal. De eerst is verschenen in de Middeleeuwen toen de kappers nog veel meer verantwoordelijk werk voor hun rekening namen, zich bijvoorbeeld ook als chirurgijn hadden gevestigd en aan aderlatingen deden. Daarvoor waren twee speciale messen in gebruik, de vlijm en de kopsnepper. Arjen van Veelen heeft er in deze krant op 5 september 2011 een informatief stuk over geschreven.

Stel je nu voor dat op een avond Paul de Leeuw met een zwaar behaard hoofd op de televisie verschijnt. Er gaat een schok door vermaaklievend Nederland. Roddelbladen sturen hun geheime dienst op pad. En dan, bij zijn volgend optreden wordt het raadsel door de komiek zelf opgehelderd. Terwijl hij zijn guitigste gezicht trekt, rukt hij de haardos van zijn hoofd, en is weer vertrouwd kaal. Hij had een pruik op.

Hoort hij tot de smaakmakers? Dat zal dan worden bewezen. In ieder geval is het niet uitgesloten dat dit het begin van een pruikenrage zal zijn, een nieuwe pruikentijd zoals in de achttiende eeuw. Misschien nieuwe perspectieven voor het kappersvak.