Misschien is alles eigenlijk wel een oefening

De nieuwste roman van Jannah Loontjens (39) – schrijver, dichter en filosoof – gaat over een jonge vrouw die een leven leidt dat exemplarisch is voor de hoogopgeleide dertigers en veertigers van deze tijd. Alles kan, alles wordt betwijfeld.

Tekst Jannetje Koelewijn Foto Roger Cremers

Writer-in-residence

„Dit is mijn eerste dag bij het NIAS in Wassenaar – ik ben writer in residence – en vannacht heb ik hier ook voor het eerst geslapen. Zo’n luxe: een eigen werkkamer in een prachtig landhuis vlak bij zee, ’s middags hoor je via de intercom dat de warme lunch klaarstaat, en het enige wat ik hoef te doen is schrijven. Ik kan niet wachten om te beginnen. Het wordt deze keer iets heel mafs, Heideggers denken over Hölderlin, half autobiografisch, half essayistisch. Ik ben er voor een half jaar, en ik zal regelmatig naar huis moeten voor mijn kinderen, op de dagen dat ze niet bij hun vader zijn. Ik heb een meisje van tien en een jongen van bijna zeven.”

Nooit iets hoeven uitleggen

„De andere mensen hier zijn gepromoveerde academici die een jaar lang de tijd krijgen om ongestoord aan een onderzoek te werken. Ik ben filosoof en literatuurwetenschapper, ik ben ook gepromoveerd. Maar ik voel me geen academicus. Gisteren bij mijn presentatie voor de andere mensen hier heb ik alleen maar gezegd dat ik schrijver ben. Het academische werk heb ik altijd als een soort oefening gezien, zoals alles misschien wel een oefening is, een oefening in eh… ja, in wat eigenlijk? Mijn romans en mijn gedichten komen van veel dieper. Alles wat er gebeurt, wat ik zie en meemaak, kan ik gebruiken, overal zie ik verhaallijnen. Als academicus kun je een observatie doen die mooi of scherp is, maar dan nog zul je die in verband moeten brengen met de observaties van andere academici, wat die erover geschreven hebben. Je moet verantwoorden, uitleggen. In de literatuur hoef je niets uit te leggen. Je laat zien en voelen en meemaken.”

Misschien. Wel. Niet.

„De woorden uit de titel van mijn boek staan op de cover onder elkaar, ze drukken zo nog beter de twijfel uit waar mijn hoofdpersonage zich door laat leiden. Mascha laat alles maar gebeuren, ze vindt het moeilijk om in te grijpen of te oordelen. Ze maakt zichzelf wijs dat het allemaal niet echt is wat ze doet. Zelfs de internetaffaire die ze heeft met een Marokkaanse jongen ontkent ze min of meer. Ze heeft de jongen nooit in levenden lijve ontmoet en ze vindt dat haar online affaire daardoor ook niet ‘echt’ is. Ondertussen gaat ze wel steeds een stap verder, ze begint zich zelfs uit te kleden voor de webcam. Ik heb in deze roman een generatie willen spiegelen – mijn eigen generatie – van dertigers en jonge veertigers die zich als studenten blijven gedragen, ook al hebben ze kinderen en een partner en een baan. Eeuwige pubers noemt Juli Zeh, de Duitse schrijver, ze. Ze gaan spelenderwijs door het leven en twijfelen aan alles, want die baan die ze hebben, is dat wel de beste baan? Hebben ze de beste partner? En hoe leuk is het eigenlijk om vader of moeder te zijn?”

Uitkleden voor de webcam

„Je kunt zeggen dat alle fictie autobiografisch is, want wat je ook schrijft, het komt voort uit je eigen verbeelding. Aan de andere kant kun je ook zeggen dat autobiografie altijd fictie is: je maakt van jezelf een verhaal. Maar jij wilt natuurlijk weten in welke mate Misschien wel niet over mezelf gaat. Deze roman is zeer persoonlijk, dat is zo, maar ik ben Mascha niet. Zij is bacterioloog, ze woont samen met de vader van haar tweede kind, ze heeft twee jongens die heel anders zijn dan mijn kinderen. Tegelijkertijd zit ik in al mijn personages wel een beetje, al laat ik ze dingen doen die ik zelf nooit zou durven, zoals dat uitkleden voor de webcam of coke snuiven met vrienden terwijl de kinderen in de kamer ernaast liggen te slapen. Ik heb het allemaal met enorm veel plezier opgeschreven, vooral de slotscène, waarin alles ontspoort. Ik heb echt hardop zitten lachen. In mijn romans word ik niet gehinderd door de schroom en empathie die ik in mijn normale leven wel voel. In het normale leven heb ik snel met mensen te doen.”

Mijn moeder was geshockeerd

„De vriend van Mascha, Tom, laat ik in mijn boek zeggen dat de dertigers en veertigers een generatie van willozen zijn. Dat is een overdrijving, want ik weet wél wat ik wil en al ben ik iemand die het lastig vindt om een standpunt in te nemen – ik zie altijd de andere kant en de uitzonderingen –, ik heb veel vrienden die ook heel goed weten wat ze willen. Maar we konden lang studeren en we maakten lang niet alles af, we hadden heel veel keuze en we moesten niets. Dat kan tot willoosheid leiden. Daarmee draag ik geen boodschap uit en ik vel er ook geen oordeel over, het is een portrettering. Toen mijn moeder mijn boek gelezen had, was ze geshockeerd. Ze vroeg zich af of ze zich zorgen om me moest maken. Zij heeft de jaren zestig meegemaakt, ze was een hippie, al wil ze niet zo genoemd worden. Ze was dus wel wat gewend, maar dat coke snuiven waar ik over schrijf, met de kinderen erbij – deed ik dat ook?”

Dansen rond het kampvuur

„De eerste jaren van mijn leven heb ik met mijn vader en moeder en mijn broer in Zweden gewoond, in een verlaten huisje ergens in een groot bos, zonder stromend water of elektriciteit. Er waren daar meer mensen zoals wij, ze kwamen uit heel Europa daar naartoe, en ik herinner me de kampvuren, en dat er dan gedanst werd. Mijn vader is beeldend kunstenaar, maar werkte in die tijd als houthakker en later repareerde hij machines bij een bedrijf. Mijn moeder zorgde voor ons. Ze was er, denk ik, doodongelukkig. We waren alleen maar bezig met overleven. ’s Winters vroor het er 20 graden, het was maar een paar uur per dag licht, we pasten om de beurt op het vuur zodat het aan bleef, de bron was vaak bevroren, waardoor er geen water was. Op mijn negende is ze teruggegaan naar Nederland. Mij nam ze mee, mijn vader en mijn broertje zijn daar gebleven. Ze wonen er nog steeds. Mijn broer heeft een Zweedse familie opgebouwd. Mijn moeder was goudsmid voordat ze naar Zweden ging, maar daarna is ze naar de kunstacademie gegaan en later werd ze filmmaker.”

Meeuw en psychiater

„Sinds twee jaar ben ik met Sven Weyens, een Belg, uit Antwerpen, net zo oud als ik. Hij is cellist in het Residentie Orkest en hij is ook zanger, bas-bariton. We hebben samen een muzikaal luisterboek gemaakt, Gesprek tussen de meeuw en de psychiater, dat in januari verschijnt. Het ontstond spelenderwijs. Moeilijk om uit te leggen wat het precies is, je moet het horen, maar het begon ermee dat Sven een opnameapparaat op zijn telefoon had en overal geluiden opnam. Op een dag stond ik in de keuken spekjes te bakken, tsjj, tsjj, tsjj, dat gebruikten we als ritme, hij speelde er gitaar en cello bij en ik wilde er een gedicht bij voordragen. Uiteindelijk werkte hij het uit tot een heel bijzonder nummer. Alle instrumenten die je hoort worden bespeeld door Sven – hij kan dat.”

Eenzame uitvaart

„Eens in de zoveel tijd krijg ik een telefoontje van F. Starik: ’Ik heb weer een dode voor je’. Hij heeft het initiatief genomen voor de Eenzame Uitvaart, waarbij dichters een gedicht schrijven voor de uitvaartceremonie van mensen die in eenzaamheid sterven en geen nabestaanden hebben. Dan krijg ik de gegevens en ga ik nadenken. Ik heb die persoon niet gekend, maar het is toch een afgesloten leven. Meestal zijn het treurige verhalen. Er was een jongen van dertig uit Letland die aan epilepsie leed en, terwijl hij langs de gracht liep, een aanval had gekregen en van de kade viel. Hoe het precies is gegaan weet niemand, maar zoiets was het. Zijn ouders hadden geen geld om hun zoon naar Letland te laten overbrengen of om naar Nederland te komen voor de begrafenis. Je staat stil bij wat een leven is: je wordt geboren, je gaat een aantal fasen door en je sterft. Dat is wat we allemaal met elkaar delen. De nietigheid van het bestaan, de kwetsbaarheid.”