Lang leve het straatvuil

Joyce Roodnat

Over: The Yes Men; Een pure formaliteit; The Clock; Melle Daamen; Johan Simons.

Een toneelstuk? Een concert? Een pure formaliteit speelt zich af in het douanekantoor naar het Hiernamaals en het is allebei. Toneel met de acteurs Porgy Franssen en Pierre Bokma. Een concert van het Cello8tet Amsterdam. Regisseur Sarah Moeremans schuift muziek en theater in elkaar, het is net een gravure van Escher: je ziet óf de vogels óf de vissen.

Die aanpak weerspiegelt deze tijd. Grenzen vervagen, genres stromen in elkaar over. Onder de invloed van de sociale media, waarin alles en iedereen naast elkaar bestaat en in onderling contact beweegt. Waarbij wel eens mag worden opgemerkt dat de sociale media allang ontdekt zijn door vijftigplus.

En ook dat de ivoren toren vol spinnewebben zit, wat het merendeel van de kunstenaars betreft. Leve het straatvuil, gooi de ramen maar open.

Ik ziet dat vuil in volle glorie in Sittard, in museum Het Domein, op de tentoonstelling Out-smarting Capitalism. Een show van The Yes Men, een illuster Amerikaans protestduo. Activistische kunstenaars die grootheden als Dow Chemical en het campagneteam van George Bush effectief van stuk brachten. Ik bekijk de videofilmpjes. Gniffel bij de kostuums waarmee ze, als menselijke zwabbers, over de vloeren rollend de hal van een Züricher bankfiliaal schoon poetsten. Hun surrealistische acties zijn zo scherp dat hun mikpunten wel móeten reageren. Waarmee de fictie overstroomt in de werkelijkheid. Wéér een grens aan barrels.

Vorig weekend bracht ik een nacht door met The Clock (2010). Een 24 uur lang videokunstwerk, opgebouwd uit duizenden filmfragmenten waarin de tijd wordt aangeduid of becommentarieerd. Het is een verslavend kunstwerk, ik zag er door de jaren heen, in musea her en der, al vele uren van. Maar altijd overdag. Maker Christian Marclay staat erop dat The Clock synchroon met de werkelijke tijd vertoond wordt – en ’s nachts is daar weinig kans op, want dan zijn de musea gesloten. Maar de dependance in Metz van Musée Pompidou bleef er een nacht voor open. En daar hing ik op een van de 21 witte divans die bij de installatie horen. Tot diep in de nacht bracht ik door met dit meesterwerk dat een liefdesverklaring aan de cinema is. Maar het is ook een filosofische verhandeling over het wezen van de tijd. En een aanval op de wetten van de vertelkunst. Op Aristoteles, dus. Logica is niet nodig, zegt The Clock, continuïteit is een achterhaald idee. Iedere toeschouwer maakt zijn eigen verhaal. The Clock is gecomponeerd als muziekstuk. En het is een literair experiment. Het is ook film. Maar wel in een museum. Marclay verbiedt uitdrukkelijk om het in een bioscoop te vertonen.

Al met al heeft de kunst vandaag de dag maling aan afgrenzingen. Ook Melle Daamen stelt zoiets vast, in de discussiestukken die hij schreef voor het Cultureel Supplement van deze krant. (‘Op persoonlijke tite’, alsof dat bestaat als je zowel directeur van de Amsterdamse schouwburg als voorzitter van de Raad voor Cultuur bent.)

Hij doet een gooi naar alle kunsten, en verrast door op te komen voor zijn eigen oude helden. Hij komt uit bij zijn visie op de stand van zaken in het theater. Dat moet grensoverschrijdender, daarom spoort hij aan: „Omarm het plan van Johan Simons.”

We zouden wel gek zijn. Want wat wil die? Ik herhaal het maar even: theatermaker Johan Simons (68) maakt zich sterk voor een grootschalig Europees theaterconglomeraat. Met hemzelf als generaal.

Wil je klein en intiem theater dan kun je toe met de jongere generatie, zei Simons, implicerend dat dat bedeesde huismussen zijn. Maar wil je „groot”, dan kom je bij hem uit. Hij streeft naar „macht”, dat zei hij ook. Arme man. Voor hij het weet, is hij de Blofeld van het toneel (voor wie zijn James Bond niet op orde heeft, schurk Blofeld is per definitie uit op de wereldmacht. Waarom? Omdat het kan. Wat hij ermee aan moet, ziet hij wel als hij het heeft).

Een jaar of twintig geleden beleed ook de filmkunst een heftig Europa-geloof. Met dieptreurig resultaat. De bijbehorende films heetten al snel ‘europudding’. De reactie is, tot op de dag van vandaag, het succes van het tegendeel: de regionale film. Van de gebroeders Dardenne en van velen met hen. Kleinschalig. Eigen. Populair bij kritiek en publiek.

Kijk uit. Háp, zegt de muil van Europa. En wég is het unieke Nederlandse toneel. Weg is een talent als Sarah Moeremans. Te intiem voor Johan Simons, te jong voor Melle Daamen. Maar wij, het publiek, willen haar.