Ik erken hun recht op zelfbeschikking. Maar niet zo

(Boven) „Mijn moeder en ik bij onze laatste vakantie, vier maanden voor haar dood: haar afscheidsvakantie – wij wisten dat niet” (Onder) „Twee zinnen op hun rouwkaart.”

„Mijn moeder en stiefvader hebben zichzelf maar een korte ‘derde helft’ gegund. Begin dit jaar zijn zij samen uit het leven gestapt. Zij was 73 jaar, hij 77: samen 150. Zij waren gezond, maar ze vonden dat hun leven voltooid was.

„Ik respecteer hun besluit. Ik erken ieders recht op zelfbeschikking. Maar niet zo. Hun manier is voor mij uitgelopen op een traumatische ervaring.

„Mijn zus en ik zijn radeloos van verdriet en onmacht geweest. De puzzelstukjes over ‘het waarom’ zijn inmiddels wel op hun plek gevallen. Maar het verdriet, dat zij ons geen afscheid hebben gegund, zal ons blijven achtervolgen. Daarom vertel ik hier mijn verhaal, als bijdrage in de discussie over ‘voltooid leven’ en euthanasie.

„Mijn moeder was heel stellig over haar levenseinde. Ze besprak dat regelmatig met ons. Ze zou nooit naar een verzorgingshuis of verpleeghuis gaan, nooit beginnen aan chemokuren of andere levensverlengende behandelingen. Zij was een uitgesproken voorstander van euthanasie. Wij hadden daar begrip voor.

„Mijn stiefvader en zij wilden elkaar absoluut niet alleen achterlaten. Jaren geleden kochten ze twee helium-tankjes, die hen konden helpen ‘weg te glijden’ als hun gezondheid hen in de steek zou laten.

„Ik had een hechte band met mijn moeder. We belden elkaar een paar keer in de week. Op onze iPads speelden we eindeloos het spelletje WordOn. We kletsten wat af via de chat; elke ochtend stuurden we elkaar even een ‘Goeiemoggel!’

„Regelmatig ging ik een weekend of weekje met mijn moeder op pad. In Maastricht dook het onderwerp levenseinde weer op. Ik vroeg haar: ‘Mam, jullie gaan het toch nog niet doen als jullie gezond zijn, hè?’ Ze stelde me gerust. Achteraf bezien heeft ze me misleid, maar ik heb toen geen argwaan gehad. Ik wilde ook niets liever dan dat ze m’n zorgen wegnam.

„Vorig jaar september gingen we een weekje naar Rhodos. Mijn zus was ook mee. We hadden het fijn met elkaar. Mama was wel wat stil. Soms trok ze zich terug in haar kamer. Ze zei dat ze moe was. Ik voelde dat er meer aan de hand was, maar ik stelde geen moeilijke vragen. Misschien om mijn bangste vermoedens uit de weg te gaan.

„Kort na deze vakantie, op 9 november, stuurde zij een mail dat ze zich in de zomer van 2014 wilden melden bij de Levenseinde Kliniek. Wij schrokken ons lam, maar we kregen geen ruimte onze emoties met hen te bespreken. Ze vroeg al snel: ‘Gun ons rust’ en staakte het contact met ons. Geen telefoon, geen spelletjes of chats en al helemaal geen bezoek. Wel beloofde ze ons dat zij tot 9 februari niets onomkeerbaars zouden doen. Ze benadrukte dat ze nog nooit een afspraak met ‘haar meisjes’ had gebroken. Dat vertrouwen moesten wij haar geven.

„In december stelde ze mijn zus en mij per e-mail voor bij een psycholoog te gaan praten. Ik vond het bizar, maar ook prima. Als ik haar maar weer kon zien – dan maar bij een psycholoog. In dat gesprek was ze verwijtend en boos. Zij vond dat wij haar niet begrepen. Wij hadden nooit tijd voor haar. Waar bemoeiden we ons mee...? Wij voelden ons miskend. De psycholoog stelde voor: ‘Gaan jullie nu eerst weer eens gewone dingen doen, over dagelijkse dingen praten – laat het zware thema even rusten.’

„Mijn moeder reageerde positief. Ze zei dat wij weer welkom waren, maar dan wel op háár voorwaarden: op exact afgesproken dagen, niet langer dan een uur, géén moeilijke gesprekken en geen gehuil. Ik stemde toe: ik was blij met de opening.

„Drie keer ben ik nog bij hen geweest. Verstikkende smalltalk, over ‘Boer zoekt vrouw’, het nationaal dictee en zo. Maar ik dacht: als we maar contact kunnen hebben. Ze begon zelfs weer een beetje te chatten.

„Op 8 januari stuurde ik haar een mail: dat ik haar pijn zag en er, hoe dan ook, voor hen wilde zijn. Ik bood ook aan bij hun moment van overlijden te zijn. Ze reageerde niet.

„Op donderdagochtend 9 januari schreef ze: ‘Vanavond zal het stil blijven, we gaan bij vrienden eten.’ De volgende ochtend schreef ik terug: ‘Goeiemoggel! Hoe was het gisteravond?’ Het bleef stil.

„Mijn bangste vermoedens groeiden met het uur. E-mail gestuurd, ge-sms’t. Geen reactie. Gebeld. Niet opgenomen. Zaterdag hield ik het niet langer: ik ging met mijn zwager en zus naar het huis. Voordeur open, de kranten van vrijdag en zaterdag lagen nog op de mat. Klassieke muziek luid aan door het hele huis. In de woonkamer: enveloppen met brieven, documenten en een bos narcissen in een vaas.

„Wij renden de trap op, naar hun slaapkamer. Daar lagen ze in bed. Dood. Hand in hand.

„Ik heb gegild als een gewond dier, liep rondjes langs hun bed. Tegelijk beseften we dat we niks mochten aanraken. Politie gebeld, voor verhoor mee naar het bureau: het huis was nu ‘plaats delict’.

„’s Avonds mochten we hun huis weer in. Mijn moeder bleek een boek te hebben geschreven. Ze zag zichzelf als een wegbereider van 180.000 ouderen in Nederland, die hun leven voltooid zouden vinden en willen kiezen voor euthanasie.

„In mijn ogen was dit helemaal geen euthanasie. Dit voelde als zelfmoord. Via

internet hadden ze een drankje besteld.

‘Er komt een moment dat je ons deze rust zult gunnen’, schreef ze in haar afscheidsbrief. Heus, ik gun hun die rust. Maar ik gun mezelf ook rust. Ik wil vrede kunnen hebben met de weg die zij hebben gekozen naar de beëindiging van hun leven. Daaraan hadden zij vooraf kunnen bijdragen.

„In haar boek kunnen we lezen welke ontwikkeling zij hebben doorgemaakt. Uit alles blijkt dat zij verlangden naar de dood. Als ze hier open over waren geweest, hadden ook wij naar dat moment kunnen toegroeien. Ik had hen niet tegengehouden. Wel hadden wij onze vragen kunnen stellen, verdriet kunnen delen en afscheid kunnen nemen. Zoals dat bij het moment van euthanasie ook gebeurt.

„Nu voelen wij ons in de steek gelaten. Zó laat je je eigen kinderen, kleinkinderen en dierbaren niet achter! Dat zie ik nu als mijn missie: deze boodschap uitdragen aan ouderen die hun leven als voltooid beschouwen.”