Ik doe liever niks

„Het dichten is helaas weer terug”, zegt schrijver en schilder Armando bij een dubbele portie Japans. Deze maand wordt hij 85. „Ik schrijf omdat het moet.”

Armando, bijna 85: „Mijn hele werk heeft te maken met terugkijken. Waar moet je anders naar kijken? Vooruit? De toekomst is de dood.”

Een lunch met schilder, schrijver, dichter Armando (84) verloopt zoals zijn verhalen. Als een readymade, gevonden poëzie. Weinig woorden, licht absurd en droog komisch. Hij gaat, met enige moeite, aan tafel zitten. Die tafel staat bij Yamazato, het Japanse restaurant in het Okura Hotel. Hij legt zijn armen op tafel. Gebruinde, gespierde armen. „Zo”, zegt hij en zwijgt. Ik vraag hoe het met hem gaat. „Ik ben niet dood”, zegt hij. Nee, bevestig ik, dat klopt. Hij trommelt goedgemutst op tafel. „Zou best willen, hoor. Lekker rustig. Geen gezeur meer.”

We bestellen. Hij hot sake, ik water. Hij steekt twee vingers in de lucht. Twee voorwaarden. Eén: niet de naam noemen van de vrouw die hem net van de auto, door de lobby, naar het restaurant begeleidde en hem ondersteunde toen hij ging zitten. De rechterhelft van zijn lichaam is zwak. Kwam door een bloedpropje in z’n hersenen, tien jaar geleden. En dat bloedpropje werd weer veroorzaakt door z’n suikerziekte.... Nou ja, kapt hij zichzelf af. „Allemaal niet zo belangrijk.” Twee: geen gezeur over zijn naam. Niet tussen haakjes zetten hoe hij eigenlijk heet, of dat ergens in een lijstje moffelen. Armando is de naam. Punt. „Zelfs mijn moeder noemde me zo.” Akkoord? Akkoord.

Over twee weken is hij „ontzettend jarig”. Geen verdienste hoor, 85 worden. „Mijn ouders gingen veel eerder. Mijn vader. Nooit ziek, maar ineens, op z’n 66ste, weg. Mijn moeder 76, kanker.” Zijn oudere zuster is ook al heel wat jaren dood. Zijn verjaardag is voor de uitgever reden een nieuwe verhalenbundel van hem te presenteren, Ter plekke. Galeries in Haarlem, Maastricht, Potsdam en Alphen aan de Rijn exposeren zijn tekeningen, schilderijen en beelden. Het Kröller-Müller Museum toont werk van hem. Het Chabot Museum in Rotterdam. Hij telt op de vingers van zijn hand... „Een, twee, drie... Wat was er nou verder nog...?” Het Armando-museum?, help ik. Zijn museum is gevestigd in het achttiende-eeuwse landgoed Oud-Amelisweerd bij Bunnik. Eerst was het Armando-museum in Amersfoort, maar dat brandde in 2007 af. „O, ja”, herinnert hij zich. In Bunnik krijgt hij een grote overzichtstentoonstelling.

Veel werk zeker, veronderstel ik. „Voor mij? Hoezo?” Nou ja, hij zal wel even bezig zijn met de selectie van al die schilderijen, keramiek, beelden en tekeningen van de afgelopen zestig jaar. „Welnee”, zegt hij. „Dat laat ik aan anderen over. Er is zat. Ik heb een opslag bij Amersfoort, daar kunnen ze genoeg vinden.” Dus hij bemoeit zich er verder niet mee? Nee, schudt hij. „Ik ben lui.” Ja ja, zeg ik. „Ja. Ik doe liever niks.” Maar? „Er dient zich steeds weer wat aan. Ik hoopte dat het niet meer zou komen, maar het houdt niet op.” Wat niet? „Ideeën. Van wie het komt, of hoe het gebeurt, weet ik niet. Opeens is het er. En dan moet ik weer een schilderij maken.”

Zijn laatste schilderij? „Dat was gisteren af. Een Seestück.” Hij schilderde de afgelopen jaren veel zeestukken. Vaak donkere doeken, waarop dikke lagen verf met paletmessen gemetseld zijn, soms met zijn handen uitgesmeerd. Is de zee blauw? Hij knikt. „Met een beetje zwart.” Ik vraag het omdat hij tot de jaren tachtig vrijwel uitsluitend in rood en zwart schilderde, met hier en daar wat grijs en wit. ‘Dreigend’ noemden critici zijn werk toen. ‘Agressief’. Zijn ogen lichten kort op. „Er werd gezegd dat geweld me fascineerde. Dat klopt niet. Geweld verbaast me.”

Zijn vaste thema’s: de verschrikkingen van de oorlog en de tragiek van de mens. De thema’s zijn in zijn jeugd geboren. Hij woonde vlakbij Kamp Amersfoort, waar de nazi’s ruim 35.000 gevangenen onderwierpen aan een wreed regime. „Elke dag rijen. Een rij mensen erin. Een rij eruit.” Joden, zigeuners, gehandicapten, werkweigeraars, Russen, politieke gevangen. „Weet je wat ik ook vaak zag, daar in het bos? Vrouwen. Vrouwen wier mannen gevangen zaten. Ze hadden altijd haast.” Jarenlang schilderde hij duistere landschappen, bomen, struiken. Gebaseerd op de bomen die in en om het kamp stonden. Het schuldige landschap, noemt hij dat. De bomen die alles zagen, niks deden en gewoon maar door bleven groeien.

Zo rond de eeuwwisseling is hij meer kleuren gaan gebruiken. „Verder geen onverwachtse sprongen, hoor. Ik doe gewoon wat ik altijd deed. Ik maak wat ik maak. Als anderen het ook mooi vinden, des te beter.” Nog even over die bomen die alles zagen en niks deden, duik ik de diepte in. Is de jonge Armando die alles zag dan ook schuldig? „In zekere zin.” Resoluut onderschept hij de volgende vraag: „Ik ben totaal niet geïnteresseerd in mijn eigen psychologie.” Een melkachtig vliesje versluiert het blauw van zijn ogen. „Het is wel handig als je dingen vraagt waarop ik een antwoord weet.”

Goed. Dat zeestuk van gisteren, dat diende zich dus zelf aan? Een korte knik. Dus hij dacht aan de zee, en toen... „Nee, nee. Ik laat me niet inspireren door de natuur. Het is eerder andersom.” Hij laat een stilte vallen. „Ben ik duidelijk? Ik schilder iets. En op het eind lijkt het op een boom of op de zee.” Niet dat hij in het wilde weg wat op het doek zet. „Ik heb duizenden schetsen. Ik weet van tevoren ongeveer precies wat ik ga maken.” En, is die van gisteren mooi geworden? „Ja, deze is goed.” Omdat? „Omdat ik hem goed vind.”

De Japanse ober komt de bestelling opnemen. Armando bestelt sashimi en daarna een gerecht met paling. Consternatie. Twee hoofdgerechten! Veel te veel voor één persoon. Armando hoort geduldig het Japanse Engels van de ober aan, tot hij één woord wel begrijpt. „Delen? Nee. Daar heb ik een hekel aan.” De middenweg is: ik anderhalf, hij twee hoofdgerechten. „Ik eet vaak Japans”, gnuift hij. „Ik ben vaak in Japan geweest. Mag ik even opscheppen? Vijf musea daar hebben werk van mij. En nou jij weer.”

Zijn onvaste rechterhand brengt een plakje rauwe tonijn naar zijn mond. Hij vloekt hardgrondig. „Vroeger was ik goed met stokjes. Nu ben ik een beginneling.” Hij eet en schrijft met rechts, schilderen doet hij sinds het bloedpropje met links. „Was voor mij ook een verrassing. Ik probeerde het, om te kijken of het nog ging. Het ging. Ineens denk ik: hè, ik deed het met links.” Zijn techniek is er niks door veranderd. Hij heeft tegenwoordig wel een assistent nodig bij het schilderen. „Ze helpt me in m’n overall. Knijpt tubes uit. Schuift het doek van links naar rechts.”

Sprookjes

Wat een tijd is weggeweest, maar nu „helaas” weer terug: het dichten. „Ineens is er een zin. Verdomme. Dan begint de ellende. Zit ik weer wekenlang over een woord te ijpsen.” Jaren geleden had hij dat met sprookjes. „Ik had de hele dag geschilderd. Ik loop in het Vondelpark in Amsterdam. Steeds moest ik op een bankje gaan zitten. Kwam er weer een sprookje. Zou je me nu vragen: schrijf eens een sprookje, geen idee hoe het moest.”

Inspiratie valt niet af te dwingen, zegt hij. Het komt. Het enige wat hij moet doen om het te krijgen, is leven. „Je hebt tijd nodig om te leren dat het wel komen zal. Je moet ervoor open staan. Vertrouwen hebben.” Heeft hij het vandaag al gehad? „Nee. Ja. Een beetje. Eén zin.” Wat voor zin? „Dat zou jij wel willen weten.”

Begrijp hem goed: als het aan hem lag, schreef hij liever niet. „Ik moet minstens twintig jaar schrijven om ermee te verdienen wat ik met één schilderij verdien. En toch schrijf ik. Omdat het moet.” Op tafel ligt de bundel Afscheid. Hij pakt hem en brengt hem dichtbij zijn gezicht. Hardop leest hij de achterflap. „Meester van het ultrakorte verhaal...” Hij kijkt op. „Dat ben ik.” Anorectisch wordt zijn verhalen wel genoemd.

Hij heeft het over bouwvallig ondergoed, over de pijngrens van de aarde, het heuvelachtige brein. Grappig en dreigend tegelijk. Hij haalt zijn schouders op: „Ach, je schrijft wat je als jonge jongen dacht. De rest komt vanzelf.” Dus, alles wat hij schrijft komt ook voort uit die oorlogsjaren? „Natuurlijk. Mijn hele werk heeft te maken met terugkijken. Waar moet je anders naar kijken?” Nou, vooruit, bijvoorbeeld? „Vooruit? De toekomst is de dood.”

Trouwens, zegt hij, verhalen dienen zich de laatste tijd „godzijdank” niet meer aan.

Bij de paling zwaait hij met zijn hand langs zijn oor. „Mmmh. Lekker.” Zijn boeken worden vertaald, in het Duits en Engels. Maar vergeleken met zijn schilderwerk is het schrijven nebenbei. „Schilderijen zijn internationaal bekend. Ze hangen in galeries in Italië en New York. Op de Biënnale van Venetië, Documenta in Kassel.” Dat was niet altijd zo. „Pas na mijn vijftigste kon ik van kunst leven.” Zijn succes kwam toen hij in Berlijn woonde, hij ging erheen in 1979 en bleef er twintig jaar. Tot die tijd werkte hij om te kunnen schilderen. Havenarbeider, sloper, sjouwer, journalist. „Alles voor die stomme tubes verf.”

Koffie? Nee. Thee? Ook niet. De helft van de chocolaatjes wil hij wel. In de tijd die verstreken is, heeft hij afwisselend medegedeeld dat hij zelden lacht en dat hij ontzettend geestig is, dat hij lui is en energiek, dat hij weinig weet en heel diepe gedachten heeft. Een zorgvuldig opgetrokken rookgordijn van woorden. „Lees maar eens terug wat hier aan tafel is gezegd. Dan zal je ontdekken dat meneer ontzettend ontwikkeld is.”