Dwaas hart

Robert Gesink rijdt een ijzersterke Ronde van Spanje. Altijd mee in de vluchtgroep. In de elfde rit plaatste hij een aanval op de Alto de San Miguel de Aralar. Uiteindelijk won de Italiaan Fabio Aru, maar de Achterhoeker had weer eens zijn topvorm getoond. Hij is frisser, taaier en snediger dan Bauke Mollema en Laurens ten Dam in de Tour ooit geweest zijn.

Op de rustdag luchtte Gesink zijn hart over de ingreep na zijn worsteling met hartritmestoornissen. „Je wordt gelijk een hartpatiënt genoemd, terwijl ik dat niet ben. Daarom heb ik het ook zo lang stilgehouden. Aangeven dat er iets mis is met je hart is niet bepaald een grote plus voor je naam, je waarde en je carrière als renner.”

Het was ingreep van niks: vier dagen later zat hij alweer op de fiets. Het gaat nu ouderwets goed „al moet ik opnieuw mijn hart leren vertrouwen”.

Wat schrijnt, is dat Gesink aangeeft dat hij zijn hartprobleem verduisterde om geen statusverlies te lijden. Dat zegt uitgerekend een renner die kampioen eigenzinnigheid is. Toch die angst om gebrandmerkt te worden als beschadigd.

Renners en hartritmestoornissen: je kan er de Arena mee vullen. De laatste tijd hoor je niet anders. Ex-wereldkampioen veldrijden Niels Albert is gestopt met crossen omdat zijn hart op hol sloeg. „Verder fietsen was niet meer verantwoord.” Andere renners zijn nonchalanter en negeren de signalen van een onregelmatige hartslag. De afgelopen maanden gaven talloze collega’s Robert Gesink toe dat ook hun hart rare bokkesprongen maakt. Sommigen vonden dat eerder grappig dan bedreigend.

Triest.

Ik herinner me nog Franco Bitossi, steengoed renner in de jaren zeventig. Een winnaar. Iedereen in Italië noemde hem l’uomo con cuore matto, de man met het dwaze hart. Hij won grote koersen en etappes in de Giro, mooie man, elegante sprinter. De nog steeds betreurde Jean Nelissen heeft liefdevol over hem geschreven.

Hartritmestoornissen worden in de sport nog steeds gebanaliseerd, en dat is kwalijk. Dat Robert Gesink nu openlijk over zijn ongemak kan praten, is een geschenk voor jongens die ook zo’n hartafwijking hebben en vrolijk door blijven fietsen. Terwijl ze meteen uit het peloton geranseld moeten worden en hun probleem voorleggen aan bekwame cardiologen. Hartproblemen blijven een taboe in het wielrennen. Soms tot het te laat is.

Het zinloze sterven.

Chapeau voor Marco van Basten. De legendarische wereldvoetballer, nu coach van AZ, geeft openlijk toe dat hij een tijdelijke stop heeft ingelast wegens hartkloppingen en resten psychisch leed. Sinds zijn jeugd heeft de spits een muur om zich heen gebouwd. Weinigen hebben inzagerecht in zijn privéleven. Over vrouw en kinderen spreekt hij niet, over ongemak en verdriet ook niet. Maar zijn hartkloppingen wou hij toch niet verbergen achter de klassieke riedel een ingezworen teennagel of vaag knieletsel. Zijn oprechtheid kan anderen inspireren tot voorzichtigheid bij signalen van een ‘steeple-hart’.

Ik zou ze de kost niet willen geven, coaches en voorzitters die gelijkaardige klachten hebben. Maar tot bekentenissen komt het zelden, want ze zijn geknecht in de dwang naar volmaaktheid. Enkele weken voor zijn dood sprak ik Ernst Happel. Hij hield vol dat hij getroffen was door een virus op de Balearen. Terwijl kanker zijn lichaam had weggeteerd tot een geknakte lucifer.

Der Ernst vond een onbekend virusje chiquer.

Hartkloppingen, verdriet, een kleine ingreep doen niets af aan de kampioensaura van een wielrenner of voetballer. De bewondering voor Robert Gesink is alleen maar groter geworden. Hem staat nu zelfs een ongekende sensatie te wachten: geliefd zijn.