De Kuifje in De Gaulle

Arjen Fortuin grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

Na zijn twee schokkende en geprezen boeken over verdwenen oorlogskinderen (In memoriam en Kinderkroniek 1942-1945) schrijft Guus Luijters nu over een ander kind – zichzelf. De titel Lege stad [1] refereert nog nadrukkelijk aan de vermoorde Joodse kinderen, maar verder is het boek vooral een persoonlijke en enigszins losgezongen oefening in herinneren: Luijters speurt zijn geheugen af naar wat er nog te vinden is over zijn eerste zeven levensjaren in stukjes van amper een pagina lang die even fragmentarisch zijn als de scherven herinnering in zijn brein. Dat vraagt nogal wat van de lezer, omdat veel van die herinneringen wel erg gewoon zijn.

Maar er zijn ook mooie passages, zoals die over de rupsen die door andere kinderen werden doodgetrapt. ‘Ik vond er niets aan. Als je de rupsen met een paar blaadjes sla in een jampot deed, gingen ze zich verpoppen en veranderden in een vlinder.’ Maar: ‘Bij mij gingen de rupsen dood. Net als de kikkervisjes en de salamanders.’ Ook de vlinders in zijn ‘vlinderdoos’ sterven – op één koolwitje na. En dan moet je onwillekeurig toch weer aan de oorlog denken; en de vergeefsheid van allerlei pogingen om Joodse kinderen te redden.

De oorlog komt ook even voorbij in Gevelde eiken [2], de weerslag van een reeks gesprekken tussen de Franse president De Gaulle en de schrijver André Malraux. Gehouden in 1970, waarbij je niet weet wat je vreemder moet vinden: dat ze toen niet vertaald werden of dat dat nu wel gebeurd is. Niet dat er geen interessante dingen in het boek staan, maar je wordt wel diep in het verleden gegooid. En een 21ste-eeuwse eindredacteur had wellicht hier en daar een streep in de tekst gezet, waar die al te wijdlopig werd. Maar soms stuit je ineens op zo’n citaat dat alles goedmaakt: ‘Ach, om u de waarheid te zeggen, begrijpt u wel, mijn enige internationale rivaal is Kuifje! Wij zijn de kleintjes die zich niet door de groten laten beetnemen. Dat hebben ze niet in de gaten, dat komt door mijn lengte.’

Eigenlijk is een voetbaltoernooi ook een lange lap waar je de pareltjes in moet zien te ontdekken. Patrick van IJzendoorn, correspondent van De Volkskrant, volgde vorig seizoen het hele toernooi om de Engelse FA Cup met een schitterend eenvoudig procedé. Hij begon bij Dulwich Hamlet-Hythe Town (het werd 1-0), schreef een stukje, bezocht de wedstrijd van de winnaar in de volgende ronde en herhaalde dat tot hij bij de finale uitkwam. De stukjes zijn nu verzameld in De weg naar Wembley[3]. Een van de parels staat al helemaal aan het begin als een 92-jarige fan van Dulwich Hamlet klaagt dat de spelers van die club (vierde amateurklasse) het alleen nog maar voor het geld doen. Bij Dulwich Hamlet! Natuurlijk gaat het regenen, maar Dulwich wint. Van IJzendoorn over de volgende wedstrijd, tegen Godalming Town: ‘Dat beide teams [...] al hun wedstrijden tot dusver gewonnen hebben, blijkt uit het goede spel. Weinig ballen belanden op de aangrenzende golfbaan.’

Je hebt mensen die zelfs de beste mop kunnen verpesten door ’m verkeerd te vertellen. Televisiemaker Teun van de Keuken is daar zo ongeveer het omgekeerde van: hij brengt serieuze zaken zo geestig dat je steeds met een glimlach leest over alles wat er mis en vreemd is in de voedselindustrie en andere kwesties waar doorgaans met onbespoten ernst over wordt gepraat.

Wanneer Van de Keuken in zijn gebundelde Paroolcolumns Puur en eerlijk [4] over Albert Heijn schrijft, doet hij dat onder de noemer van ‘te veel blauw op straat’ en wanneer zijn moeder hem haar oude BMW geeft, schrikt hij zich een ongeluk. „Een schitterend monster uit de 5-serie met lederen lightstone-beige bekleding, een notenhouten dashboard, een vierlitermotor en heel veel cilinders.” Een foute auto dus. „Maar wat reed hij lekker! Volgens mijn vrouw tenminste. Als man zonder rijbewijs heb ik daar geen verstand van.” Zo is een stukje over ‘autoschaamte’ leuker dan een mop.