De bedrogen weduwen

Bram Vermeulen in Zuid-Afrika

De weduwen in de kantine staan allemaal op zodra ik aanschuif – op één na. Sibongile Magadlela blijft zitten. Nu zitten we zwijgend tegenover elkaar. Ik weet van haar geheim. In een kort zinnetje liet ze het op een andere dag, op een andere plek al eens vallen. Maar nu ik naar de naam vraag van die andere vrouw, schudt ze haar hoofd. „Haar naam ga ik je niet vertellen.”

Binnen duren de hoorzittingen voort waarin advocaten en getuigen het grote verhaal achter ‘Marikana’ ontrafelen, het bloedbad van 16 augustus 2012. Hoe bestond het dat de Zuid-Afrikaanse politie het vuur opende op stakende mijnwerkers van het mijnbedrijf Lonmin? Welk duivels plan leidde tot de massamoord op 34 mijnwerkers?

Ruim twee jaar na die dag vrezen getuigen nog steeds voor hun leven. Sommigen verdwijnen of worden vermoord op klaarlichte dag. Sommigen duiken onder of nemen schuilnamen aan voordat ze hier getuigen, zoals de getuige ‘Meneer X’. Marikana is een plek vol geheimen en vol wantrouwen. Ieder woord kan er één te veel zijn. Dit is de plek waar die oester beetje voor beetje wordt opengebroken.

Eén taboe blijft onbesproken. De weduwen die hier maanden achtereen de verhalen van de getuigen aanhoren, van de mijnwerkers en hun bazen, van de politiecommandanten, van de vakbondsleiders, zijn bedrogen vrouwen.

Zo werkt dat in de mijnbouw van Zuid-Afrika. De mannen laten hun families achter in verpauperde provincies als de Oost-Kaap of omliggende buurlanden om in het noorden van Zuid-Afrika in de mijnen te kunnen werken. Het is als dienstplicht. Ze zijn maanden achtereen van huis. En iedereen weet dat een man in die velden vol krotten van plastic en golfplaten niet zijn eigen was ophangt.

Liefde is een financiële transactie

De man van Sibongile Magadlela heette Sitelega. Ze legt zijn identiteitskaart op tafel. Geboren 15 augustus 1962, in het koninkrijk Swaziland. Op één dag na precies vijftig jaar voor zijn dood. Ze ontmoette hem in 1995, in een dorp in het Manzini-district. Daar haalde hij haar weg uit de rondavel van haar ouders.

„Waren ze verliefd?”, vraag ik aan de vertaler.

Ze kijkt naar haar Nokiatelefoon.

„Waarom wil hij dit weten?”, vraagt ze de vertaler. „Waarom schrijft hij alles op? Gaat hij er geld mee verdienen? Een hoop geld, lijkt me. Wat schiet ik ermee op?”

We zwijgen weer.

De lunch wordt opgeruimd. Borden kletteren in de wasbak. Ze begint zachtjes te praten. Sitelega had al zes kinderen toen ze hem ontmoette. Van zijn eerste vrouw. Hij was sterk. Hij had een baan. Dat was genoeg. Liefde is een financiële transactie.

Ze kregen zes kinderen: Liziwi, die vlak na haar geboorte dood ging. Mayenziwi, een meisje. Sindiswe, de jongen. Simiselo, die in het laatste jaar van de lagere school zit. Seluliwe en uiteindelijk Sihleleolelo, de jongste van zes. „We hadden het goed tot hij die andere vrouw tegenkwam. Hij was zichzelf niet, met haar.” Dat was in 1999, vier jaar nadat ze waren getrouwd.

Plots kwam er minder geld uit Marikana terug naar Swaziland. Van de vierduizend rand die haar echtgenoot iedere maand verdiende, kwam nog maar duizend rand (70 euro) bij haar terecht. Daar moest ze elf kinderen van onderhouden, die van haarzelf en van zijn ex. Ze kon geen kleren meer kopen voor de kinderen. Er verscheen die doffe gloed over hun haren die honger verraadt.

Sitelega kreeg vier kinderen met die andere vrouw, in Marikana. Zijn echtgenote is er van overtuigd dat die kinderen het beter hadden. Ze hadden dikkere armen. Betere kleren. Over hun haar lag wel een glans.

Ze bleef maar bellen

Soms reisde Sibongile naar Marikana om een paar weken met haar man door te brengen. Dan deelde ze het krot van golfplaten met haar man, en zijn buitenvrouw. „Ik sliep aan de andere kant van de wand op de grond. Zij deelden het bed.”

Ze dacht nooit aan een andere man, zegt ze. Het is lastig om een nieuw leven te beginnen, als moeder van vijf kinderen.

Het nieuws bereikte haar pas op 18 augustus, twee dagen na de schietpartij. In de weken daarvoor had hij haar verteld dat hij de dagen doorbracht op de rotsen van de Wonderkop, met uitzicht op de platinamijn van Lonmin. Ze wilden een verdubbeling van hun salaris: 12.500 rand. Hij werkte al sinds 1989 in de mijnen, sinds apartheidstijden. De systematische rassenscheiding schiep die arbeidsreservaten.

Op het eerste gezicht is er weinig veranderd, hoewel de meeste mijnwerkers niet langer in hostels slapen maar een woonpremie krijgen om een eigen krot te bouwen. En een tweede gezin te stichten. Het grootste verschil met vroeger is dat mijnwerkers nu net zo lang doorstaken tot ze hun loonsverhoging krijgen. Vijf maanden lang desnoods, zoals begin dit jaar. Dat is Africa rising hier: de verrijzenis van een stem die zich niet laat smoren.

Na dagen van protest nam hij plots de telefoon niet meer op. Ze bleef bellen. En bellen. Tot een auto voor haar huisje in Swaziland stopte. Het waren mensen van Teba, het agentschap dat de werkvergunningen van de mijnwerkers regelt. „Ik kan u niet vertellen wat ik voelde toen ik ze zag aankomen.” De kantine valt weer stil.

Hield u van hem, vraag ik. De vertaler kijkt me aan. Weer dat stilzwijgen. Dan spreekt ze toch. „Ik was toch niet bij hem gebleven als ik niet van hem hield?”

Ze staart naar haar paars gelakte nagels. De Marikana-commissie heeft het gezag van de mijnwerkersvrouwen in ere hersteld. De wettige echtgenoten zitten hier, als de ware vertegenwoordigers van hun mannen. De minnaressen laten zich niet zien. Ze schuilen in hun krotten bij de mijn. Maar Sibongile Magadlela weet dat de andere vrouw direct na de schietpartij naar de eigenaar van de mijn is gegaan om het smartengeld op te eisen voor haarzelf en haar kinderen.

Ze had de helft van hem. Nu wil ze de helft van zijn geld. <<