‘Dat slachten heb ik verdrongen’

Sinds januari is hij topman bij vleesverwerker Vion. „Soms moet je iets doen wat je niet zelf zou hebben uitgekozen”, zegt de ex-topman van DE.

Foto Robin Utrecht

Van bier en koffie naar dode varkens en koeien. Michiel Herkemij (50), sinds januari topman van vleesverwerkingsbedrijf Vion, moest dan ook even slikken toen hij voor het eerst van zijn leven een slachterij bezocht. „Je begint bij het ‘koude gedeelte’: de koelcellen. Toen ik die karkassen zag hangen, dacht ik al: jongen toch. Toen moest ik nog naar het ‘warme gedeelte’. Daar komen de dieren op vier poten binnen en worden ze doodgemaakt. De varkens worden bedwelmd, de koeien krijgen een pin door hun kop. Dat vond ik...” Hij aarzelt. „Vrij heftig.”

Toch besloot Herkemij Vion te gaan leiden. Een opmerkelijke stap voor de man die eerder bestuursvoorzitter was van DE Master Blenders 1753 (Douwe Egberts) en bij multinationals als Heineken en FrieslandCampina werkte. „Over dat slachten moest ik echt heen stappen, dat zeg ik eerlijk. Ik heb het verdrongen. Ik hou mezelf liever voor dat Vion iedere week vlees levert aan meer dan honderd miljoen consumenten.”

Vion is de grootste vleesverwerker van Nederland. Het bedrijf verkeerde in grote problemen: mislukte overnames, tegenvallende resultaten en schandalen. In 2012 leed het Brabantse bedrijf een nettoverlies van 830 miljoen euro. Dat kwam door de „ongebreidelde acquisitiedrang” van zijn voorgangers, zei Herkemij in juli op een persbijeenkomst waar hij zijn strategie ontvouwde om Vion er bovenop te helpen. Het ene na het andere bedrijf werd gekocht, zei hij, maar de bedrijven werden niet geïntegreerd. Het gevolg: 42 werkmaatschappijen die hun eigen gang gingen. Dat leidde niet alleen tot megaverliezen, maar ook tot incidenten. Zo bleek 11.000 kilo varkensvlees ten onrechte als biologisch te zijn verkocht.

Om te kunnen voortbestaan moest Vion vorig jaar kroonjuweel Vion Ingredients verkopen. Op die manier kon het bedrijf de schuld van 1 miljard euro aan de banken aflossen. Ingredients, dat uit slachtafval ingrediënten maakt voor de farmaceutische industrie (zoals gelatine), leverde 1,6 miljard euro op.

Vion was gered. In eerste instantie, dan. Want Ingredients was feitelijk de enige tak die voor winst zorgde. Aan de slachterijen is nauwelijks geld te verdienen, zegt Herkemij. „Een dier is levend vaak meer waard dan, hoe zeg je dat, in delen.”

Hoe is dat te verklaren?

„Vlees is een lastige business. Bij Heineken neem je water, mout en hop, dat laat je gisten en dan is het bier. Je stopt het in een mooi flesje, plakt er een etiket op en je hebt waarde gecreëerd. Bij Vion kopen we koeien en varkens in, en die exporteren we vervolgens in onderdelen naar zeventig landen. Niet ieder deel van het dier is evenveel waard. Een varkenshaas is duurder dan een schouderham. Je moet álle delen goed verkopen om winst te maken. De marges zijn flinterdun. Het verschil tussen winst of verlies is klein. Er hoeft maar íéts te gebeuren en de financiële gevolgen zijn voelbaar. Dat maakt een bedrijf heel kwetsbaar.”

Is daar iets aan te veranderen?

„We gaan in ieder geval efficiënter werken. Voorheen verkochten al onze slachterijen zelf hun vlees. Je kunt je voorstellen dat dat niet optimaal is. Het aanbod werd niet goed afgestemd op de vraag. En ja, dat betekent dat er soms onnodig werd geslacht. Dat vlees belandde dan in een vriescel. Nu gaan we de verkoop centraal regelen. Dan weten we precies welke onderdelen we waarheen sturen, hebben we veel beter overzicht en kunnen we de opbrengst verhogen. We denken binnen het bedrijf niet meer in landen, maar in divisies. Varkens, runderen en Foodservice, het bewerkte vlees. Worsten, kroketten en gehaktballetjes, zeg maar.”

Die laatste tak levert wel winst op, toch?

„Ja-ha. De runderdivisie ook wel, hoor. Alleen bij de varkensdivisie moeten de resultaten drastisch verbeteren. Kijk, op het moment dat je gaat grillen, garen of mengen schieten de marges omhoog. Vlees is een bulkproduct. De afgelopen zeventig jaar is een stuk vlees voor de consument relatief goedkoper geworden. En dat terwijl het voer van de dieren duurder is, de stallen aan meer eisen moeten voldoen en dus meer geld kosten. Op dit moment verkoopt Vion 95 procent vers vlees en 5 procent bewerkte producten. Om te overleven moet die verhouding veranderen. Zeker naar 80-20, liefst ga je nog veel verder. Kijk wat FrieslandCampina heeft gedaan. Aan dagverse melk valt ook geen winst te behalen. Maar maak je er babyvoeding van, of drinkyoghurt, dan wordt het plotseling interessant.”

In de vleesindustrie wordt gesproken over ‘merkvlees’. Het idee is dat vlees identiteit krijgt, en dat de consument weet wie hij kan aanspreken als er iets mis mee is.

„De consument zit niet te wachten op een Vion-worst of Vion-karbonaadje. Hij wil gewoon veilig en betrouwbaar vlees. Het liefst wil hij weten bij welke boer de koe stond en misschien ook nog wat het dier te eten kreeg. Er komt straks een barcode op de verpakking en dan kun je als consument die informatie heel eenvoudig opvragen. Dáár gaat het naartoe. Transparantie is het toverwoord. En kwaliteit. Wij werken hard aan het verbeteren van ons kwaliteitssysteem. Al onze slachterijen worden momenteel uitvoerig getest en gerangschikt op volgorde van hoe zij presteren. Hoe zit het met dierenwelzijn, voedselveiligheid, zijn de machines schoon, volgen de werknemers alle procedures?”

Is dat iets bijzonders?

„Kwaliteit stond voorheen niet bovenaan de agenda bij Vion. Daar snap ik niets van. Ik heb twee maanden geleden in Duitsland nog een slachterij per direct gesloten. Daar viel niets meer van te maken. Op alle fronten waren de prestaties ondermaats. Kwaliteit is, zo heb ik geleerd bij Heineken, een randvoorwaarde. Je kunt je niet eens onderscheiden op kwaliteit – de consument verwacht gewoon dat je product goed is. De kwaliteit bij Vion moet over de hele linie omhoog worden getrokken. Begrijp me niet verkeerd, wij hebben zat slachterijen die het supergoed doen, maar ze moeten allemáál aan de vereisten voldoen. En we moeten duidelijker communiceren als we zover zijn. Kijk, als je dán een Vion-keurmerk op je vlees zet en consumenten weten dat het goed zit...”

Na alle recente vleesschandalen?

„De industrie heeft het inderdaad over zichzelf uitgeroepen dat zaken uitvergroot worden. Voor al het goede dat in de sector gebeurt is geen aandacht vanwege alle slechte dingen die er ook zijn. Ik ben voor openheid. We hebben te lang de kaarten tegen de borst gehouden. Keuringsrapporten van de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, red.) – maak ze maar openbaar. Ik zeg niet dat alles perfect is. Er zijn dingen niet goed gegaan, maar we gaan het beter doen. Ik weet zeker dat consumenten het je vergeven als iets een keer niet helemaal goed gaat, zolang je maar eerlijk bent. Ik heb destijds ook geroepen dat Senseo niet te drinken was. Dat we de kwaliteit gingen verbeteren. Traditionele marketeers zeiden: die Herkemij is gek. Terwijl dat naar mijn idee transparantie is. Het sluit aan bij de tijdgeest.”

Vindt u het wel leuk bij Vion?

„Jawel, maar die lage marges, dat werkt voor iemand met mijn achtergrond wel louterend.” Hij lacht. „Je gaat terug naar de basis. Ik krijg hiervan een buitengewoon goed inzicht in margestructuren en verdienmodellen. Ik voel me meer dan voorheen ondernemer. Waar haal ik geld vandaan? Hoe kom ik de maand door? Dat is heel anders dan bij DE of Heineken.”

Hoe kijkt u terug op uw mislukte DE-avontuur? Na achttien jaar in het buitenland kwam u naar Nederland om het koffiebedrijf te leiden en al vijf maanden na de beursgang stond u op straat.

„Nou, mislukt, mislukt... Dat zou ik niet willen zeggen. Er zijn maar weinig mensen die als bestuursvoorzitter een beursgang hebben mogen begeleiden. Het was een geweldige avontuur. Een kort, maar intensief avontuur. Maar het is waar, ik heb persoonlijk niet kunnen waarmaken wat ik voor ogen had.”

Dus de drang om het bij Vion nu wél goed te doen...

„Die is heel groot. Dat kan ik niet ontkennen. Ik dacht dat ik een behoorlijk incasseringsvermogen had, na China, Nigeria, Mexico. Ik heb veel gezien in mijn loopbaan. Maar met mij ging het altijd goed, met mijn carrière ging het crescendo. En toen kreeg ik die knal. Achteraf is dat goed geweest. Het maakt je weerbaarder. Je staat weer met beide benen op de grond.”

Hoe is het om als merkenman in de vleesindustrie terecht te komen?

„Ik ben inderdaad geen vleesman, of agrariër. Dus ja, ik mis een merk. Ik mis het internationale. En het afbreukrisico is gigantisch. Maar stilzitten is ook geen optie. Soms moet je iets doen wat je niet zelf zou hebben uitgekozen. Nederland is een klein land. Op dit niveau zijn honderd banen te vergeven, zo simpel is het. Als je aan Nederland gebonden bent, is de keus niet zo groot.”