Autisten zijn beelddenkers, woorddenkers of patroondenkers

‘Wat in mijn autistische brein zit, zit niet noodzakelijkerwijs in het autistische brein van iemand anders’, schrijft Temple Grandin in haar nieuwste boek. Autistische aandoeningen variëren niet alleen in ernst. Veel belangrijker nog is dat ze verschillen in de vorm, wil ze zeggen.

Grandin is een fenomeen op het gebied van autisme. De Amerikaanse spreekt uit ervaring (ze heeft zelf autisme), en wist het ondanks haar beperkingen tot hoogleraar dierwetenschappen aan de University of Colorado te schoppen. Ze is een invloedrijk voorvechtster van de ‘normalisering’ van autistische aandoeningen. Ze houdt er regelmatig lezingen over, is auteur van een handvol boeken, en van haar bijzondere levensverhaal is vier jaar geleden een televisiefilm gemaakt: Temple Grandin.

Maar in haar nieuwste boek Het autistische brein geeft Grandin ruimhartig toe dat ze het in een van haar vorige boeken, Thinking in Pictures, bij het verkeerde eind had. Klakkeloos was Grandin ervan uitgegaan dat alle autisten beelddenkers waren zoals zij. Dat bleek niet te kloppen, besefte ze geleidelijk in de afgelopen tien jaar. Maar dat zijzelf een beelddenker is, zag zij bevestigd in de uitgebreide hersenstudies waaraan zij als proefpersoon meedeed.

Ze bleek in vergelijking met anderen een heel brede visuele baan in haar hersenen te hebben, terwijl de ‘zeg wat je ziet’-verbinding in haar auditieve systeem juist heel zwak was. Haar cerebellum (‘kleine hersenen’) bleken 20 procent kleiner dan de norm. Voor Grandin was het een openbaring: ineens zag zij een verklaring voor zich waarom zij is zoals zij is. Het kleine cerebellum verklaart haar beroerde evenwichtsgevoel, de grote hersenholte die doorloopt tot in de pariëtale hersenschors haar problemen met algebra.

Grandin heeft de gave voor buitenstaanders te vertalen ‘hoe het voelt om autist te zijn’. Zelf is ze natuurlijk iemand met hoogfunctionerend autisme; ze kan heel beredeneerd over de schutting kijken en observeren wat er anders is aan haarzelf in vergelijking tot mensen die geen autisme hebben. Ze kan zich ook inleven in de belevingswereld van zware autisten, die voor hun omgeving totaal onbereikbaar lijken. Grandin maakt aannemelijk dat autisten hun omgeving wel waarnemen, maar er sterker of juist minder sterk op reageren dan anderen.

De boodschap van Grandin is dat autisten zich niet bij hun beperkingen moeten neerleggen. Hun bijzondere manier van denken openbaart zich in de juiste context als een gave – zoek daarom de mogelijkheden van autisme, niet de beperkingen. Maar koester niet de hoop dat je met eindeloos oefenen uiteindelijk een tekortkoming in het brein kunt overwinnen. Richt je in plaats daarvan op de sterke kanten van het autistische brein, zegt Grandin.

Het is deze emancipatoire strijdvaardigheid die Grandin tot spreekbuis van autisten heeft gemaakt, met zichzelf als levend bewijs. Om lezers houvast te geven probeert Grandin de variatie binnen autisten te vatten in drie algemene categorieën. Behalve de beelddenkers waartoe zijzelf behoort, zijn er volgens haar analyse ook typische woorddenkers en patroondenkers.

Dat doet de wenkbrauwen wel even omhoog gaan. Want zonder gedegen wetenschappelijke onderbouwing komt deze indeling erg gratuit over. En waarom zou zo’n categorisering alleen voor autisten gelden? Het wordt erger als Grandin de verschillende types ‘op maat’ een beroepskeuzeadvies gaat geven. In het rijtje suggesties voor beelddenkers staat de veetechnicus. Ja, uiteraard. Maar op welke grond?

Los hiervan is Het autistische brein een heel rijk boek, dat veel mensen die zelf of in hun omgeving te maken krijgen met autisme kan inspireren.