Traag onderzoek naar chroom

Personeelsleden en oud-werknemers van Defensie die gezondheidsschade hebben opgelopen doordat ze met kankerverwekkende camouflageverf hebben gewerkt, kunnen rekenen op een schadevergoeding. Tot zover het voor hen goede nieuws dat viel op te maken uit de beantwoording op Kamervragen, vorige maand, door minister Hennis-Plasschaert (VVD). Ze zal zonodig „haar verantwoordelijkheid nemen” en verzoeken tot schadevergoeding „in behandeling nemen”.

Het voor die bewuste (ex-)Defensiemedewerkers minder goede nieuws is dat het nog volstrekt onduidelijk is of en wanneer zij op die ‘behandeling’ mogen rekenen.

Het gaat hier om werkzaamheden die Defensiepersoneel in de jaren negentig verrichtte aan Amerikaanse legervoertuigen in depots in Brunssum, Coevorden, Eygelshoven, Ter Apel en Vriezenveen. De camouflageverf die ze gebruikten, bevatte de schadelijke stof chroom-6. Onderzoek in de periode 1999-2002 heeft volgens de minister uitgewezen dat het onduidelijk is of „de daadwerkelijke blootstelling aan chromaten boven de wettelijke grenswaarde lag”.

Dat staat haaks op de conclusie die een hoogleraar toxicologie woensdag in deze krant trok uit een rapport van de arbodienst van de landmacht: er was „overduidelijk” sprake van een te hoge concentratie chroom-6. Volgens deze toxicoloog, Martin van den Berg van de Universiteit Utrecht, is Defensie ernstig tekortgeschoten. De kanker die chroom-6 veroorzaakt, manifesteert zich volgen hem pas tien à twintig jaar later. Het ministerie had direct maatregelen moeten nemen, vindt hij. Honderden zieke oud-werknemers hebben zich inmiddels bij advocaten en letselschadebureaus gemeld.

Maar minister Hennis wil nu eerst een „historisch overzicht” hebben van alle informatie over blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de betrokken depots, waarbij de archieven bij Defensie tot tientallen jaren terug worden geraadpleegd. Voor het eind van het jaar moet dat overzicht er zijn. Daarna laat ze een onafhankelijk instituut onderzoek doen. Hoe lang dat gaat duren, is onbekend.

Dat de minister zorgvuldig wil opereren, is begrijpelijk. Maar meer haast ligt niettemin voor de hand, nu er blijkbaar al jaren meetrapporten zijn (uit 1999 en 2002) waaruit deskundigen zulke expliciete conclusies trekken. Dit wringt te meer daar Hennis aan het hoofd staat van een departement dat helaas een slechte reputatie heeft opgebouwd als het gaat om het toedekken van wantoestanden bij de krijgsmacht. Goed werkgeversschap is essentieel bij een organisatie die haar personeelsleden soms aan grote gevaren moet blootstellen. Het nemen en het al dan niet bewust in stand houden van onnodige risico’s moet daarbij zeker worden vermeden.