Steeds nader tot de waarheid

Het persoonlijke even van dirigent Bernard Haitink blijft onbesproken in de bundel interviews. Wel wordt duidelijk wat Haitink zo goed maakt: altijd je visie aanpassen.

Bernard Haitink bij het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam in 2010 Foto Marco Borggreve

Morgenmiddag schrijft Bernard Haitink Nederlandse muziekgeschiedenis. In het Concertgebouw in Amsterdam leidt hij het Radio Filharmonisch Orkest (RFO) in onder meer Mahlers Vierde symfonie en de ‘Liebestod’ uit Wagners Tristan und Isolde, een stuk dat hij ook leidde bij zijn debuut voor het orkest in 1954, zestig jaar geleden.

Pessimisten vrezen dat het Haitinks laatste Mahler in Nederland zal zijn. In theorie kán hij nog best met Mahler of Bruckner terugkomen, bij het RFO, met het Londen Symphony Orchestra of een ander orkest. Maar navraag leert dat die plannen bij het Concertgebouw niet op de rol staan, en ook Haitinks terugkeer bij het Koninklijk Concertgebouworkest lijkt onwaarschijnlijk. Gekwetste gevoelens, een recente hartenkreet in Het Parool en de teerling was geworpen. Insiders vermoeden dat het nooit meer goed komt, en met hen Haitink zelf: ‘De twee uitvoeringen van Bruckners Zevende symfonie met het Concertgebouworkest in 2013 waren heel speciaal, alsof iedereen voelde dat dit de laatste keer was. Ik voelde dat zelf ook.’

De uitspraak is één van de saillante citaten uit de vandaag verschenen bundel Als je het een beroep kunt noemen – gesprekken met Bernard Haitink over zestig jaar dirigeren. Wie hoopt op een biografisch getint werk, wordt teleurgesteld. Over Haitink, zijn gevoelig afgestelde barometer, de vele professionele en persoonlijke krenkingen die er het gevolg van waren en het unieke kunstenaarschap dat ermee samenhangt, zal de ultieme biografie pas geschreven kunnen worden als Haitink er zelf er niet meer is.

Met eerdere pogingen door Simon Mundy (1988) en het duo Jan Bank en Emile Wennekes (De klank als handschrift, 2006) was Haitink op zijn zachtst gezegd ongelukkig, onder meer omdat hij geen zin had in gegraaf in zijn verleden.. De ‘gevaarlijke kanten’ van zijn privéleven – met vier echtgenotes – bleven ook toen overigens goeddeels onbesproken.

Aarzelen

Dat Haitink na enig typerend aarzelen wél wilde samenwerken met historicus Niek Nelissen, wekt na lezing ervan geen verbazing. Nelissen publiceerde eerder een uitstekende biografie van dirigent Willem van Otterloo. Zijn Haitink-boek is de consciëntieuze weerslag van zesentwintig gesprekken, gevoerd tussen augustus 2012 en mei 2014. Toon en aanpak zijn niet die van de journalist (een index van alle namen en werken die ter sprake komen wordt node gemist), maar die van de historisch tot in de kleinste details ingewijde muziekliefhebber.

De essentie van een boek over Haitink-als-dirigent is natuurlijk: wat maakt hem zo geweldig? Hoe komt het dat Haitink, voor welk orkest hij ook staat, altijd een eigen ‘klank’ weet te realiseren? Welk mechanisme maakt dat je bij elke Brucknersymfonie onder zijn leiding méér het gevoel hebt de waarheid te naderen?

Het antwoord op die vraag heeft, als Haitink zelf, twee kanten. Achter de muziekinhoudelijke kant, krijgt Nelissen goed de vinger. Al bij de behandeling van Haitinks conservatoriumtijd wordt ingegaan op zijn belangstelling voor structuren. Ook later is het nog altijd de voorbereiding van een werk die Haitink het meest boeit aan zijn vak, zegt hij: ‘Vanaf het eerste doorbladeren van de partituur als een soort detective tot het moment waarop je denkt: ik zal hem nooit leren kennen maar meer kan ik op dit moment niet doen’.

Doorvragen naar de menselijke beweegredenen achter de muzikale wapenfeiten is niet Nelissens kracht. Als Haitinks emoties en soms verbazende buigzaamheid (‘Niets was mijn eigen idee’/‘Ik heb het gewoon op me af laten komen’) opduiken in de lange gesprekken over plaatopnamen, orkesten en managers of repertoire, koerst de interviewer snel terug naar veiliger havens (noten, feiten, gebeurtenissen). Als jongen ervoer Haitink dat Mahlers Das Lied von der Erde hem ‘niet gelukkig maar angstig maakte’, en toch draaide hij die plaat grijs. Bij Verdi heeft hij juist een voorkeur voor de opera’s die ‘zwaarder en duister zijn’. Maar waarom? En waar wortelt zijn beruchte drift, die Haitink zelf meermaals ter sprake brengt, en die hij ‘vervelend en dom’ noemt? ‘Vijftien of twintig jaar geleden ben ik naar een psycholoog gegaan en heb gezegd dat ik kennelijk in de knel zat. […] Zij zei: „Ik ga daar niet aan sleutelen, want dan komt er zoveel los. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.” Toen ben ik maar weer weggegaan.’

Discretie

Haitink zegt wel dat musici zich liever in muziek uiten dan in woorden, maar hij zet de deur een paar keer open, waarop Nelissen die, net als de psychologe, snel weer sluit. Waarschijnlijk is die discretie juist de voedingsbodem onder Haitinks openheid, wat Nelissen als schrijver met een dilemma moet hebben opgezadeld. Maar je hebt vaak het idee dat in deze keurige gesprekken soms meer mogelijk was geweest.

In dertien hoofdstukken neemt Nelissen Haitink chronologisch mee terug langs zijn eigen loopbaan. Schooltijd. Vliegende start. Zijn benoeming in 1961 tot eerste dirigent van het Concertgebouworkest, waar hij zich – te jong benoemd, vindt hij nu – voelde als een ‘konijn in de koplampen van een auto’. Daarop volgde het London Philharmonic (‘reddingsboei’ voor ‘gedonder’ in Amsterdam), Dresden, de opera in Glyndebourne en Covent Garden, München, Boston en Chicago.

De leukste hoofdstukken zijn de laatste twee, die Haitinks visies op lesgeven en op het vak zelf behandelen. Daar zie je de zonzijde van zijn wat flegmatische natuur: het gebrek aan zelfingenomenheid en de oprechte bereidheid zichzelf, zijn vakmanschap en interpretaties steeds weer ter discussie te stellen. Waarschijnlijk wortelt dáár ook zijn grootheid als dirigent. Communiceren met de musici, dat is voor een dirigent de essentie. Je visie proefondervindelijk aanpassen aan musici, zaal en moment. Over geen symfonie denkt Haitink ooit : ‘Zo moet het voortaan altijd’, zegt hij. ‘Je hebt het namelijk nooit.’ Het zal zijn uitvoering van Mahlers Vierde symfonie morgen ongetwijfeld eens te meer roerend en opwindend maken.